Herinneringen van Pim Hofkes,


Even voorstellen.
Ik woonde van eind 1939/begin 1940 tot 1960 in de Waal Malefijtstraat en wel op nummer 17 in Katwijk aan Zee, samen met mijn vader, moeder en broer Simon. Simon werd overigens door alle kinderen in de buurt “Broer” genoemd, omdat hij mijn broer was. Mijn moeder is, toen hij naar de Christelijke Opleidingsschool (de lagere school dus) ging, naar het onderwijzend personeel gegaan om hen te vertellen dat hij Simon heette en ook zo moest worden genoemd en aangesproken. 

 

Als de Duitsers ons land binnenvallen, komen ze uiteraard ook in Katwijk; denk alleen maar aan de gevechten tussen Nederlandse troepen en Duitse parachutisten bij het vliegveld Valkenburg. Ze waren o.a. gelegerd in uit hout opgetrokken barakken aan de Parklaan en wel aan de duinkant tussen ongeveer de Duinstraat en de Drieplassenweg, zeg maar waar nu de Duinroosstraat is.
 

 

 

  

 

Mijn moeder vertelde ons dat ze het maar niets vond, al die soldaten zo dicht bij haar huis; ze was toen ook pas 25/26 jaar en mijn vader moest naar zijn werk als boekhouder op de Gasfabriek, gelegen tussen de Van der Vegtstraat en het Kanaal – Prins Hendrikkade - van de Hans van der Hoevenstraat tot de Mr. C. Fockstraat. Zij zat daar dan als leuke jonge vrouw met twee kleine kinderen, vlak bij die soldaten, in een voor haar ook nog eens nieuwe omgeving (net verhuisd van de Baron Sweerts des Landas Wyborghstraat 16, waar ik en Simon geboren zijn). 

Dus ze voelde zich daar een beetje “unheimisch” en ging dan ook vaak met ons naar haar ouders, opa en oma Burgerhout (Havenstraat 5, voor ons: “oma en opa beneden”, omdat ze in een normaal benedenhuis woonden) of naar haar schoonouders, opa en oma Hofkes (Havenstraat 3, voor ons : “oma en opa boven”, omdat ze in het bovenhuis boven het wachtlokaal van de tram woonden), die allebei dus naast elkaar in de Havenstraat woonden, om niet “eenzaam” te zijn in die stille omgeving en in die onbekende oorlogssituatie.

 

Ons dorp was toen veel kleiner dan nu; zo waren aan de zuidkant de laatste straten de Parklaan, een stukje Roest van Limburgstraat, het meest oostelijke stuk van de Waal Malefijtstraat, een stukje Annastraat en het oostelijke stuk van de Varkevisserstraat. Direct aansluitend begonnen de duinen. Dus wij op het pleintje in de Waal Malefijtstraat woonden vlakbij het duin.
Van de eerste oorlogsjaren weet ik niet veel, die zijn gewoon aan mij voorbijgegaan omdat ik te jong was om er iets van te begrijpen; uit de jaren vanaf 1943 herinner ik me nog wel het een en ander. 

 

Havenstraat – Boulevard – Muur.  

 Zo reden er werktreintjes door de Havenstraat en het Waaigat, vanaf het (Prins Hendrik) Kanaal naar de Boulevard, met materiaal voor het bouwen van de “Muur” - als onderdeel van de “Atlantikwall” - , langs de Boulevard om een eventuele Engelse invasie moeilijker te maken. Het materiaal werd met schepen aangevoerd op het Kanaal, waar nu de Zwaaikom ligt. Het hoogteverschil tussen Kanaal en Boulevard was vrij groot, dus die stoomtreintjes moesten er door de Havenstraat behoorlijk aan trekken; dat getjoekesjoek, gepuf en die rookpluimen van die kleine locomotiefjes waren voor ons kinderen natuurlijk heel leuk.

Eenmaal is er door de geallieerden geprobeerd dat treinvervoer tegen te gaan door het te bombarderen; er vielen wel bommen, maar gelukkig werd er niemand dodelijk geraakt; alleen was er wel grote schade aan de huizen in de Havenstraat, vooral bij de opgang van de Hoogstraat. Simon en ik kwamen daar nogal vaak, omdat zoals al gezegd onze opa’s en oma’s daar woonden. Alles is daar afgebroken in het begin van de 60-er jaren.

  

Afbraak.

Om vanaf de W.Malefijtstraat naar de Havenstraat te komen liepen wij vaak langs het gebied waar alle huizen op last van het Duitse regime afgebroken waren om naar zee en de “Atlantikwall” een beter schootsveld te hebben. Die afbraakgrens liep vanaf de Drieplassenweg, langs de Koninginneweg, Jozef Israelsweg, Duinpad, Andreasplein, Princestraat, Waaigat, Kon. Emmastraat, Buitensluisstraat, E.A.Borgerstraat naar de uitwatering.

Als we zonder ouders op weg waren naar opa en oma, gingen we stiekem onder de afzetting door, want tussen die afbraakspullen lagen stukken “hardboard”, die voor isolatie waren gebruikt en die, als je ze eenmaal had aangestoken, heel lang bleven gloeien zeker als je er tegenaan bleef blazen. Dat was voor ons mooi speelgoed, natuurlijk.

 

 Inkwartiering Duitse soldaten.
Op een gegeven moment werd er ruimte van de Katwijkers gevraagd of beter gezegd gevorderd voor de inkwartiering van Duitse militairen. Ook bij ons in de W. Malefijtstraat, lekker dicht bij de ‘Ortskommandantur” aan de Parklaan, kwam zo’n soldaat op kamers. In de loop der tijd zijn er zo’n drie verschillende militairen geweest.De één vriendelijker dan de ander, volgens mijn ouders was er ook één bij die ’s avonds nog al eens zat te huilen van heimwee vanwege zijn verplichte dienst in het buitenland. Nog heel lang na het vertrek van die Duitsers noemden wij hun (slaap)kamer, vanaf de overloop links, het “soldatenkamertje”

 

 Tabaksplantage – Razzia - Oom Jan.
Toen er in de winkels geen tabak meer was te krijgen, aan alles heerste op een gegeven moment gebrek of het was gewoon op, had mijn vader in onze achtertuin tabaksplanten geplant. De bladeren daarvan werden in de schuur of mooier gezegd, ons “zomerhuisje”, gedroogd en versnipperd. Hier hoort ook nog een verhaaltje bij: Mijn oom Jan Burgerhout, een jongere broer van mijn moeder, was een poosje bij ons ondergedoken, omdat er steeds razzia’s waren. Bij een razzia kamden Duitse militairen of politiemensen in opdracht van Duits hogerhand straten en huizen uit op zoek naar jongelui die van nut konden zijn voor te werkstelling in de (oorlogs-)  industrie in Duitsland.
Men had het er dus niet zo op begrepen om jarenlang in Duitsland te vertoeven en dook onder. Zo’n razzia gebeurde vaak en onverwachts, zeker in de laatste jaren van de oorlog. Ineens werden straten afgezet en voorbijgangers “gearresteerd”, sommigen werden zomaar uit het openbaar vervoer geplukt en afgevoerd naar plaatsen, waarvandaan ze op transport gingen naar de werkplek, meestal een Duitse industriestad. Er werd niets gevraagd, men moest  stomweg mee; soms zonder dat de familie kon worden ingelicht.  
Oom Jan stond op een gegeven moment even in onze achtertuin een sigaretje te roken, toen we Duitse soldaten hoorden aankomen; hij smeet zijn half opgerookte sigaret weg en verschool zich in huis.
Al gauw bleek het loos alarm, want de militairen liepen gewoon door.
Oom Jan en mijn vader hebben zich daarna rot gezocht naar het weggesmeten peukje; zij konden zich er maar niet bij neerleggen dat zo’n schaars artikel zoek bleef. Dat was in die tijd doodzonde !!
Ook later waren wij als kinderen - en wij niet alleen –voor Pa nog al eens op straat peuken aan het zoeken.  
De tabaksresten – zgn. “bukshag”, naar het bukken om de peukjes op te rapen - werden er dan uitgeplukt en bij elkaar gedaan, waardoor weer een hele “nieuwe” sigaret kon worden gemaakt.
Nog even over dat onderduiken van Oom Jan: mochten de Duitsers ooit in ons huis een inval doen om wat voor reden dan ook, er vond nu eenmaal verraad plaats en zo’n Duitse inval was helemaal niet denkbeeldig dan moest Oom Jan er als de wiedeweerga voor zorgen dat hij ergens verdween. Dat werd opgelost door een schuilplaats te maken in de vloer van de overloop boven. Er werden enkele planken losgemaakt, waardoor er onder de vloer van de overloop en het plafond van de huiskamer een lage ruimte beschikbaar kwam, waar hij zich liggend in kon schuiven, planken weer terug en zeil met kleden er weer over en klaar was Kees, in dit geval dus Jan.. Er lag altijd een matrasje met dekens, een kussen en wat te eten en te drinken klaar. Diverse keren is er natuurlijk op dit wegkruipen geoefend en daarbij werd wel veel gelachen, hoe ernstig het ook was. 

 

Tegen het eind van de oorlog was haast niets meer te krijgen in de winkels, de etenswaren, als ze er al waren, waren op de bon. Voor elk gezinslid ontving je een bonnenkaart.


Aangezien niet alles voorradig was, werd via aanplakbiljetten bij winkels aangekondigd wat je op een gegeven moment bij inlevering van een bepaalde bon kon krijgen en waar. 

Er ontstond dan een run op zo’n winkel, waarbij je soms uren in de rij stond om iets te bemachtigen, ook al ging het vaak om nog zo’n summier portie.

Er werd honger geleden, zeker toen de barre winter van ‘44/’45 aanbrak. Mijn vader lag op een gegeven moment met hongeroedeem op bed. 

Hij was zwaar vermagerd. Pa en Ma probeerden ons, hun kinderen, zo veel mogelijk te behoeden voor gebrek aan voedsel, maar ze moesten natuurlijk ook aan zichzelf denken. Maar je begrijpt hoe dat gaat in een jong gezin.

 

Gaarkeuken

Op een gegeven moment kon je bij de zgn. gaarkeuken – weer tegen inlevering van bonnen – gekookt voedsel krijgen, alles was dooreen gemengd, dus het was meestal een soort hutspot met van alles erin of soep. Het eten werd op een bepaald punt – voor ons bij melkboer Van Dijk in de Waal Malefijtstraat, aan de noordkant halverwege het stuk tussen de Vlierstraat en de Weth. Ouwehandstraat -  in grote gamellen afgeleverd. 

Dan moest je er vlug bij zijn, anders was alles op, dus weer lange rijen. We hebben toen wat in de rij gestaan voor van alles en nog wat; als je maar hoorde dat er ergens iets te krijgen was, spurtte één van ons erheen om iets te bemachtigen.

 

Over melkboer Van Dijk het volgende

Toen mijn Opa en Oma Hofkes voor een poosje bij ons ondergedoken waren - waarom weet ik niet meer, misschien wel omdat mijn Opa bij bepaalde situaties, die in zijn ogen onrechtvaardig waren, nogal fel kon reageren, bv.: als er weer eens denigrerende bepalingen kwamen van Duits hogerhand hoe het openbaar vervoer geregeld of aangepast moest worden en hij was tenslotte Halte chef Katwijk voor de Noord Zuid-Hollandse Vervoermaatschappij, 

kortweg NZH, had er mee te maken en moest Duitse orders uitvoeren - probeerde Pa. iets extra’s voor mijn grootouders, maar vooral voor Oma, die bedlegerig – reuma – was, te bemachtigen bij de gaarkeuken.  

Bij Van Dijk dus. Je zou zeggen: waarom gebruikte jullie daarvoor niet de bonnen van Opa en Oma; maar dat kon je beter maar niet doen vanwege die onderduiksituatie. Je wist maar nooit wie er in de rij stonden, die je voor een paar centen of voorrechten konden verlinken bij een vijandgezinde instantie.

Nou, van Dijk stond al onder druk en had het al moeilijk om die hongerige mensen allemaal te voorzien van een beetje eten – in dit geval: soep – en dan komt er nog ééntje zeuren om een ietsje meer. Hij werd woest en kwam op mijn vader af, die moest zorgen dat ie wegkwam, anders had hij een grote pollepel op z’n kop gehad.

 

Kleding

Gelukkig was mijn moeder heel handig met naald en schaar en in de keuken.

Kleding was in de oorlog amper te krijgen, waardoor ze genoodzaakt was voor zichzelf, haar man en kinderen veel zelf te maken of te herstellen. Nou, dat ging haar prima af; we liepen er altijd netjes bij.

Schoeisel was eveneens schaars; we liepen vaak op kleppers – een soort houten plankjes met bandjes, ze leken op sandalen - of op klompen (ik ben diverse keren bij de klompenmaker, de “klompenpik” zoals ie genoemd werd, in de Hoogstraat geweest om nieuwe klompen aan te meten of oude te laten herstellen) en zomers op blote voeten.

 

Eten en drinken 2

Van alles wat mijn ouders te pakken konden krijgen en eetbaar was, wist mijn moeder wel een maaltijd te bereiden. Over zo’n prak werd dan een scheut slaolie gedaan en dat vond ik toen zo heerlijk!!

Mijn ouders waren bevriend met de familie De Kort uit de Remisestraat; oom Aad de Kort was rattenvanger van beroep en had uit hoofde van zijn beroep altijd brood en kaas in huis. Hij moest tenslotte ratten vangen. 

Op een gegeven moment, toen het echt nodig was, mochten we één maal in de week bij hen langskomen om een boterham met kaas te eten. Ongelooflijk, wat was dat een traktatie!!!

 

Ook het volgende is mij altijd bij gebleven:

Net als altijd werd er in de oorlog ook “uitgehaald” ; dat is een Katwijkse term voor voorjaarsschoonmaak. Het hele huis ging dan op z’n kop. Voorjaar ’44 dus ook en toen Ma in de voorkamer de legkast leeghaalde, stond op de bovenste plank een grote dekschaal, met deksel erop. Die was daar in voorgaande jaren waarschijnlijk gesloten vanaf gehaald en gesloten weer teruggezet. Toen ze nu echter het deksel eraf nam, bleek die schaal boordevol met suiker te zitten. Dat was ze helemaal vergeten; ze was opgetogen en haalde ons er bij en we stonden er allemaal van te genieten.

 Nachtverlichting en elektriciteit ’s Avonds moest alles verduisterd zijn; er branden geen lantarens en er mocht geen streepje licht vanuit het huis naar buiten komen. Daar werd streng op gecontroleerd en het werd beslist niet getolereerd. De Engelsen en later ook de Amerikanen, die op nachtvluchten boven ons land kwamen, moesten niet kunnen zien waar ze waren. En we hebben wat vliegtuigen over horen komen op weg naar Duitsland voor het uitvoeren van bombardementen. 

 

Jonge, jonge, soms urenlang gedreun, gedreun en maar hopen dat ze niet voortijdig hun bommen los zouden laten.

Om de Duitse radar te storen werden door die vliegtuigen ook vaak kleine strookjes zilverpapier uitgeworpen, die dan weer door ons op de grond werden verzameld om leuk mee te spelen.

Dicht bij de villawijk in Wassenaar, tegen de duinen aan, was door de Duitsers een lanceerinrichting voor V 1’s en V 2’s gebouwd. Wanneer zo’n groot uitgevoerde bom-raket werd gelanceerd, was dat een herrie van jewelste en je hoopte maar dat ie niet per ongeluk weer terugkwam of niet wegkwam en naar beneden kwakte, want dat gebeurde nog wel eens.

Vaak was er ook geen stroom; om dan toch ’s avonds iets te kunnen doen of lezen, werd er een fiets gehaald die zodanig werd neergezet dat je kan trappen, zodat via de dynamo het voor- en achterlicht ging branden. Dus om de beurt een tijdje trappen om de anderen bij te lichten bij hun bezigheden.

 

Overigens kon je haast niet meer fietsen, omdat er geen binnen- en buitenbanden meer te krijgen waren, dus lekker fietsen was er zeker niet bij. Er waren er die met touwbanden fietsten ; een stuk kabeltouw dat dusdanig gesplitst was dat het precies om de velg paste; en splitsen dat konden ze, de Katwijkers, vanuit hun zeevarend beroep; ook reed men met houtenbanden.

 

Brandstof.

 In die beroerde wintermaanden was er een groot gebrek aan brandhout; er bestond nog geen centrale verwarming en er waren geen geisers, dus je was voor verwarming en warm water en - als er geen gas was - ook voor het eten aangewezen op de kachel; maar die moest je wel kunnen stoken. Je had hout nodig en als het even kon kolen; nu werkte Pa gelukkig op de gasfabriek, zodat hij wel aan kolen of cokes kon komen, in ieder geval makkelijker dan anderen.

Om aan hout te komen werden op een gegeven moment als het donker was, stiekem bomen, die in plantsoenen stonden, - en voor ons huis lag zo’n plantsoen - uit de grond getrokken of afgezaagd, tot kleinere, hanteerbare stukken teruggebracht en opgeslagen in de schuren van hen, die meehielpen. 

Dat was wel een zenuwenkarwei, want je kon zo opgepakt worden als het werd ontdekt. Dan zat je een paar dagen vast en je was ook je hout kwijt.

Tijdens de eerste winter na de oorlog zijn Simon, Pa en ik ook eens ’s avonds stiekem naar het eind van de Zuid Boulevard geweest om stukken hout te slopen uit een bunker, die daar in de Muur was aangebracht; daar waar de loop van het kanon uit de bunker stak, was een afscherming gemaakt van hout en dat hadden we nodig. Over zenuwenkarwei gesproken !!!!

Door het werk van Pa hadden we nog een voordeel, want we konden ons elke zaterdag gaan wassen onder de heerlijk warme douches die op het terrein van de gasfabriek stonden; die waren bestemd voor de stokers, die dag in dag uit bezig waren met kolen voor de gasfabricage. Dat was een voorrecht in die tijd, want er waren nog geen doucheruimtes in huizen, laat staan badkamers.

 

Het volgende stukje over de hongerwinter trof ik aan de Trouw van 4 augustus 2007: “Op zoek naar brandstof en voedsel

“Inwoners van het westen van Nederland en in het bijzonder van de grote steden, hadden het “bijzonder zwaar in de winter van 1944-1945.

 “De aanvoer van voedsel en brandstof viel zo goed als stil.. Dat was het gevolg van sancties “die  de Duitse bezetters instelden na de algemene spoorwegstaking en van de strenge winter, “die transport over de binnenwateren onmogelijk maakte. Het al karige rantsoen van één “brood en één kilo aardappelen per persoon per week werd in november 1944 door “transportproblemen nog kleiner.

“Tienduizenden mensen gingen op hongertocht naar het noorden en oosten. Daar was bij vele “boerenbedrijven en de op zelfvoorziening ingestelde bedrijven wel voedsel, zoals meel, “graan en eieren. 

 

De hongertochten waren soms een aaneenschakeling van tegenvallers en “teleurstellingen, bijvoorbeeld wanneer Duitse soldaten het met veel moeite verzamelde “voedsel weer in beslag namen of mensen elkaar bestalen.

 “In de hongerwinter zijn naar schatting 20.000 mensen gestorven aan de gevolgen van “ondervoeding. Een onbekend aantal mensen heeft door een tekort aan voeding blijvende “gezondheidsproblemen opgelopen..

  

“ Schein, bitte !! “

In – ik denk dat het november 1944 geweest is - kwam bij een paar oudere vriendjes uit de straat het plan op om hout voor de kachel te gaan halen in het Parlbos (het Parlevlietbos) in de duinen. Ik mee. Ze wisten dat je daarvoor een vergunning nodig had, die afgegeven werd door de Ortskommandant  in de barakken aan de Parklaan. Nou, waarom niet. Dus wij gingen naar dat kamp en vroegen om zo’n vergunning; en zowaar: we kregen “das Schein”. 


We zijn de duinen ingegaan, waar nu nog de ingang naar duin is achter “Salem”, naast de “Hoge duin”, zoals wij die noemden – dit was zeker voor mij een helemaal nieuw iets omdat ik nooit bewust in duin was geweest - en sjokten in de buurt van het huidige Koepelduin, toen we daar tegengehouden werden door een bewapende Wehrmacht soldaat. We kropen natuurlijk een beetje in ons schulp; het was spannend.

 

 “Schein, bitte !!!     Toen we de vergunning lieten zien, mochten we verder lopen. Het eindresultaat is dat we in het bos zijn geweest, daarvan is momenteel niet veel meer over door de drainage, en dat we allemaal met een paar takjes thuiskwamen, want het was nog een heel gesjouw van het bos naar huis, zodat niet alles wat opgeraapt werd ook daadwerkelijk in de kachel kwam.

 

Schietende Engelse vliegtuigen

Als kinderen waren wij op een gegeven moment aan het spelen op de Parklaan, waar toen nog alleen huizen stonden aan de noordkant tussen de Duinstraat en de Drieplassenweg; vanaf de Duinstraat naar het Oosten tot de huidige Chr. Opleidingsschool was, zoals ik in het begin al vertelde, het braakliggend terrein of duin. Vanuit de laatste huizen aan de Waal Malefijtstraat, en na de Annastraat, vanaf de achterkant van de huizen aan de Varkevisserstraat keek je zo de  duinen in. De hele wijk Overduin en Koestal, de bungalowduin, de begraafplaats Duinrust alsmede Huize Salem bestonden nog niet.

Nu verder …..Terwijl wij daar in dat open terrein druk in de weer waren, hoorden we plotseling een soort geratel achter ons, het leek net op het geluid van een nettenwagen met van dat ijzerbeslag op de wielen – knarsend, knetterend.  En even later een enorme herrie; we schrokken ons wezenloos. 

Wat bleek: het waren Engelse jachtvliegtuigen, Spitfire’s, die het met hun vurende boordwapens begrepen hadden op de Duitse barakken aan de Parklaan. 
Nou, we wisten niet hoe snel we naar de huizenkant moesten rennen om uit de vuurlinie te geraken. Ook enige ouders van spelende kinderen vlogen het terrein in om hun kinderen daar weg te halen.

We stonden tegen de huizen aan gedrukt te wachten of er misschien nog meer toestellen kwamen. Gelukkig was dat niet zo en liep alles daar met een sisser af. Maar de angst zat er goed in !!

Enige tijd later zijn er wel doden gevallen toen er weer Engelse toestellen schietend overkwamen bij het Kanaal, in de buurt van de Gasfabriek, waar mijn vader werkte. Hij beschikte over EHBO-diploma’s, zodat hij er nauw bij betrokken was om eerste hulp te verlenen. Er werd er zelfs één uit de mast van een trawler geschoten, die de beste man aan het verven was. Een triest gebeuren.

 


Afwerpen van voedsel.

In april 1945, toen het Duitsland duidelijk werd dat het op z’n laatste 9 liep, werd het vanwege de alarmerende voedselsituatie na de hongerwinter toegestaan dat geallieerde vliegtuigen voedselpakketten afwierpen voor ons, de hongerende bevolking.

 Dat was zo’n enerverende en hoopgevende ervaring !!!!

29 April - Ik hoor ze nog komen ….. Een zwaar dreunend geluid vanaf zee; we hoefden niet bang te zijn, ze kwamen niet om ergens hun bommen af te gooien of te schieten. Er was verteld dat er vanuit vliegtuigen voedsel zou worden neergelaten. En ……. Nu, nu hoorden we ze komen. 

We “vlogen” naar boven om vanaf het dak van ons huis naar de toestellen te kijken. Wat een machtig gezicht, daar kwamen ze: die grote logge zware Lancaster-bommenwerpers, laag over zee en de duinen; vliegtuigen van onze latere bevrijders, die niet beschoten werden, maar wel even later duizenden voedselpakketten afgooiden boven afgebakende terreinen.

We wisten gewoon niet waar we het hadden. Ongelooflijk. We zwaaiden met tranen in de ogen vanaf het hoogste puntje van ons huis naar de piloten wn “uitwerpende” soldaten in de vliegtuigen en waarachtig, ze zagen ons !!!!!!!!!!!!!!…. ze zwaaiden terug vanuit hun dreunende toestellen, zo laag vlogen ze over de duinen en onze huizen. Vanaf ons hoge punt konden we ook de toppen van de hoge duinen even voorbij de Parklaan zien en daarop stond het zwart van de mensen.

 Soms gooiden ze, nadat ze afgeworpen hadden, alsnog iets uit hun toestel naar beneden en dan ontstond er een run. 

Later hoorde je dan dat het sigaretten of chocoladerepen waren geweest. Wat was dat mooi! Ik krijg er nog kippenvel van. Prachtig, prachtig !!

Van het hele gebeuren heeft mijn vader nog een drietal foto’s gemaakt !!! Ze zitten in mijn album. 

Ongelooflijk dat Papa dat fotomateriaal nog had en er op dat moment aan dacht !!!, maar hij was in die tijd al langer met fotografie bezig.

 

Het was voor ons als kind al onvergetelijk, moet je nagaan wat het betekende voor de ouderen die al zo lang bewust gebukt gingen onder het bittere Duitse regime en vooral in de pas voorbije hongerwinter alles in het werk moesten stellen om ondanks de ellende hun kinderen en vaak ook hun ouders van voedsel te voorzien. Het afwerpterrein bij Katwijk was het vliegveld Valkenburg

Daarvandaan werd het naar distributiepunten gebracht en een van die punten was de gasfabriek, zodat we via mijn vader het een en ander in huis kregen. 

Zilverachtig glimmende blikken met biscuits/kaakjes, met corned beef , met chocola, met sigaretten.

Via bepaalde winkels en bij uitdeelpunten zijn diverse producten op verstrekte bonnen te verkrijgen. O a. het eerste wittebrood - afkomstig van het Zweedse Rode Kruis – het witste wat ik van mijn leven ooit zag en roomboter, niet in pakjes, maar in grote klonten uit een vat. En het smaakte, tsjonge, jonge, (“tsjonge, jonge” zei mijn vader vaak) wat was dat heerlijk! Als ik mijn ogen dicht doe, zie ik het nog in de keuken staan.

 

De bevrijding nadert !!!!

Op een avond, begin mei 1945, worden we door Papa en Mama uit ons bed gehaald en zij laten ons door gordijnspleetjes kijken naar de overkant van het 

plantsoentje/ van de straat voor ons huis, waar veel Duitse militairen met hun materieel, paard en wagen en fietsen zich opstelden om te vertrekken. Mijn ouders hebben dat bewust gedaan om ons er getuige van te laten zijn. Dit was een historisch moment. De bezetter trok aan z’n stutten; ze zagen het niet meer zitten!!!!

 

Je moest nog wel uitkijken natuurlijk, want ze hadden het heft nog in handen en waren allemaal bewapend. Maar dit was het begin van hun einde.

 

Bevrijding op 5 mei 1945 !!!!

We horen dat Duitsland heeft gecapituleerd. Hoera, hoera, leve de Koningin!! De vlag, ons rood, wit en blauw, voorzien van een oranje sjerp kan weer wapperen !!! 

’s Morgens, woensdag 9 mei horen we dat alle figuren die met de vijand, met de Moffen hebben geheuld, de NSB-ers, worden opgehaald uit hun huizen. Wij als kinderen gingen natuurlijk kijken.

’s Middags, 9 mei, werd er verteld dat de Tommy’s oftewel de Engelse militairen zich in Katwijk hadden gelegerd en wel bij het “ Witte Hek” op de “Mierewai” (Mierenweide); een toen nog landelijk gebied achter de Wyborghstraat en tegenover de Parklaan (heet nu Duinoord), “de groene pannen”. Nu staat er de Zeewegflat, een school en ligt er het marktterrein.

Ik in m’n eentje op de fiets er naar toe en kon met eigen ogen, een beetje bedeesd, onze bevrijders met hun materieel bekijken. Zij gaven de kinderen chocolade. Ik at toen dan ook mijn eerste chocola.

De ouderen kregen sigaretten toegestopt.

Toch wel een ander gevoel dan wanneer er zo’n Duitse legerafdeling voorbij marcheerde.

 

Nasleep van de oorlog.

Als gevolg van de oefeningen, die de Duitse militairen hielden in de zuid duinen, waren veel ongebruikte kogels en soms hele volle patroongordels door hen achtergelaten, vergeten of weggegooid in de duinen; veelal vonden we ze op of bij de duintoppen, waar ze bezig waren geweest..

Dat was voor ons natuurlijk prachtig “speel’-materiaal. We wisten dat het gevaarlijk kon zijn, maar, ja, je was kind en zag die gevaren makkelijk over het hoofd.

We gingen dus kogels, hulzen en kogelpunten(bij de schietschijven) zoeken in de duinen. De koperen hulzen waren zeer in trek, je kon ze prachtig oppoetsen. De nog niet gebruikte kogels gooiden we vaak in een blakertje – een met takken, papier enz. aangemaakt vuurtje op een stukje zandterrein - ,  nadat we achter een duintje waren weggedoken, want je wist nooit welke kant de door de hitte loskomende kogel op zou gaan. Link, natuurlijk !!! Maar, ja, weer: kinderen.

 

 

Het verhaal over die kogelpunten staat bij Plompen.

 

Voor het eerst op strand.

 

Op een gegeven moment – het zal juni of juli 1945 – geweest zijn, hoorden we van vriendjes op straat dat je op het strand kon komen. Nou, dat was wat. Als kind kenden we het strand eigenlijk alleen maar uit verhalen, omdat je er tijdens de laatste jaren van de bezetting niet meer mocht komen.

Dus Simon en ik, zonder dat Mama (Papa zat op kantoor) het wist, naar de Boulevard of wat er nog van over was; langs de hele Boulevard hadden de Duitsers een betonnen muur als onderdeel van de Atlantikwall gebouwd; die was zo hoog, dat je als je op de Boulevard liep de zee niet kon zien. Maar op bepaalde plekken hadden ze in de muur een doorgang naar de zeekant gemaakt.

Wij kwamen aan bij het eind van de Varkevisserstraat, vlak bij de vuurtoren. Daar had men aan beide kanten van de muur een ladder neergezet, zodat je erover heen kon klimmen.

Wij er overheen; in de verte zag je het strand al, maar daar stonden nog allemaal betonnen palen schuin tegen elkaar met mijnen erop om de Geallieerden tegen te houden. Dat deerde ons niet!!

Eenmaal over de muur moesten we door een groot bunkercomplex, waar de camouflagenetten nog overheen hingen. Nu besef ik dat een deel van dat complex, nu onder het zand, nog altijd voor het later gebouwde restaurant “De Zwaan”  een buffer vormt tegen het watergeweld bij stormen.

 

Eindelijk op strand gingen we meespelen met de aanwezige kinderen in de zwinnetje en trokken ons niets aan van al die mijnen op betonpalen; later bleek dat ook hele stukken van het strand vol lagen met kleinere mijntjes (AP-tjes =.anti person) Gelukkig niet het stuk waar wij waren, anders had ik dit waarschijnlijk niet kunnen schrijven. Naar later bleek werd op dat stuk strand door de Duitsers zelf gerecreëerd in hun vrije tijd: dus geen mijnen!! Er zijn op andere plekken op strand, zeker niet ver daarvandaan, wel enkele ongelukken met dodelijke afloop gebeurd en enkelen zijn er ook ledematen kwijtgeraakt.

Weer verder met het verhaal: want wat wil het geval ! Tegen vijven wordt aan Mama gevraagd of ze wel weet dat haar kroost op het strand aan het spelen is. Die schrok zich natuurlijk wezenloos, er ging van alles door haar hoofd, vooral ook omdat het strand nog helemaal niet vrijgegeven was.!!! Gelukkig komt Papa net van zijn werk thuis en hij is binnen “no time” op de Boulevard en klimt op de muur. (Later vertelde hij, dat hij beslist niet verder durfde in verband met dat mijnengevaar.) Hij begint naar ons te roepen en met z’n armen te zwaaien, maar kan ons niet bereiken omdat de afstand gewoon te groot is; eindelijk worden wij er via, via op geattendeerd dat hij daar staat.

Wij terugzwaaien, ja toch; leuk dat hij naar ons komt kijken !!!! Uiteindelijk zijn we naar hem toegegaan, maar we begrepen toen eigenlijk helemaal niet waarom hij zo kwaad op ons was.

 

Lont zoeken na het opblazen van delen van de Muur in duin.

 

Halverwege de duinen tussen Wassenaar en Katwijk hadden de Duitsers een betonnen muur gebouwd of door te werkgestelde (dwang-)arbeiders laten bouwen om het de geallieerden bij een mogelijke inval moeilijk te maken. Die muur liep van het strand tot aan het vliegveld Valkenburg, dwars door duin. 

 Er zijn nog delen van over. Maar bij het fietspad is vrij snel na de oorlog dat muurdeel opgeblazen; daarbij werd gebruikt gemaakt van lont-stukken. En veel stukken daarvan lagen overal in het rond voor het oprapen, van die lange pijpstukjes. 

Aangezien wij in duin waren of naar duin gingen, hadden we dat al gauw door en je kon met die stukjes leuk spelen. 

Door je voet op het ene eind te zetten en het andere eind aan te steken en even te wachten met het wegtrekken van je voet, kreeg je een soort voetzoeker die de hele straat doorschoot met een sissend geluid … Prachtig speelgoed. 

 

In die tijd kon je ook makkelijk aan kruit uit kogels komen. We gingen gewoon de duinen in om kogels te zoeken; die lagen er voldoende, omdat de Duitse militairen daar vaak oefenden  en “overtollig” materiaal gewoon uit nonchalance lieten liggen, soms hele patroongordels met de kogels er nog in; we deden dan het kruit in een conservenblikje en legden naar dat blikje een lang lint van lontstukjes, waarna we achter een heuveltje gingen liggen toekijken.

Achter dat heuveltje staken we het lont aan en zagen het vuur naar het blikje snellen. Eenmaal aangekomen zag je het vuur naar binnen gaan – even niets - en dan sprong met een rotgang het dekseltje meters omhoog. Was er leuker speelgoed denkbaar!!. Dit laatste heb ik diverse keren samen met mijn vriend Harry (van der Maaden) gedaan, die aan de Parklaan woonde tegenover de reeds afgebroken Duitse barakken.

 

Plompen.  

De kogelpunten gingen we zoeken in het zand van de kogelvangers bij de schietschijven, waar je overigens helemaal niet mocht komen, omdat het afgezet militair terrein was vlakbij de Cantineweg. Die weg heet zo, omdat er heel lang een kantinegebouw – iets ten zuiden van het huidige scoutingsgebouw - heeft gestaan, waar de soldaten/studenten zich van een natje en droogje konden voorzien. 

Via een omweg door duin konden we onder het afzettingsdraad door bij die schijven komen. De schietschijven werden al voor de oorlog gebruikt door de Nederlandse militairen met van die ouderwetse geweren en kogels. Ook de leden van de Studenten Weerbaarheid uit Leiden oefenden hier. De punten van de oude kogels zaten vol lood, ook in de nieuwere kogels zat wel lood, maar lang niet zoveel. Met broekzakken vol kogelpunten gingen we naar huis. 

 

In onze schuur – later noemden we dat ons zomerhuis, omdat ’s zomers ons woonhuis verhuurd was aan badgasten - verwarmden we ze in een pannetje op het gasstel; na verloop van tijd zag je het lood uit de kogelpunten lopen en een heel plasje vormen in het pannetje. Als het dan afgekoeld was, had je een hele plak lood en daar ging het om.  Er werd een gat ingeboord; daardoorheen werden twee stevige stukken touw getrokken; van het ene stevige stuk werd een soort handgreep gemaakt, waardoor je ermee kon slingeren, het andere stuk stevig touw zat weer goed vast aan een heel lange lijn boettouw.

Boettouw was getaand garen, waarmee de visnetten door boetsters werden hersteld. De netten werden door netwagens, vaak met van die Belgische knollen ervoor, uitgereden op vlakke stukken duinterrein. Dit gebeurde o.a. op een vrij vlak stuk terrein tussen de Laan van Nieuw Zuid en de Sportlaan, waar nu dus Quick Boys-terreinen liggen.

Als de boetsters vertrokken waren, gingen wij kijken of ze wellicht stukken touw hadden laten liggen en dat gebeurde vaak. We pikten die stukken mee en verbonden ze goed aan elkaar tot we over een flink eind lijn beschikten. Aan het laatste stukje boettouw, vlakbij het lood, werden korte zijstukjes vastgemaakt, waaraan haakjes werden bevestigd. 

De plomp, zoals dat ding toen genoemd werd, was klaar om te gaan plompen.

We gingen met het hele zaakje naar strand, deden de inhoud van kokkels aan de haakjes en slingerden met het korte stuk touw het stuk lood met de “gevulde” haakjes een eind zee in. Het behoeft geen betoog dat er wel enige behendigheid bij kwam kijken, maar door het vaak te doen kreeg je toch vrij snel onder de knie.

Dat was toen dus onze “werphengel”. We hebben er menig scholletje en tongetje mee uit het water gehaald en het was fijn om met je vriendjes op het strand zo bezig te zijn

 

Bom gevonden op strand.  

Op een keer, niet lang na de bevrijding, liepen ik en mijn vriend Piet Hein (Admiraal) langs het strand te banjeren om te kijken of er nog iets van waarde was aangespoeld. Vaak vond je lege drankflessen waarvoor je bij Pluimgraaff, de drankhandel in de Zuidstraat, statiegeld kon krijgen. 

Dat was gauw verdient!! We liepen o.a. daardoor vaak te schooieren op het strand. Op die bewuste dag, na stormachtig weer, vonden we op de vloedlijn op het zuiderstrand in de buurt van een tweetal in de eerste duinenrij tot op 

het strand gebouwde enorme geschutsbunkers, die Formosa en Bikini werden genoemd – denk hierbij aan de gevechten die door de Amerikanen werden gevoerd tegen de Japanners in de Pacific – een  aangespoelde vliegtuigbom.

Wat te doen??? We hadden niets bij ons om die bom in of op te vervoeren, alleen “dragen” of “laten liggen” waren de opties. We besloten om het gevaarte om de beurt te dragen en hem naar het politiebureau te brengen. 

Zo gezegd, zo gedaan. Vanaf die hoge bunkers tot aan de Zuid Boulevard en dan nog door het dorp naar het politiebureau in de Tramstraat was het toch gauw twee kilometer, een behoorlijk afstandje. 

Toen we op de Zuid Boulevard aankwamen, kwam er toevallig een politieagent op zijn ronde aanfietsen. Hij stapte af en vroeg wat we daar bij ons droegen; we lieten de bom zien en vertelden dat we ‘m naar het politiebureau wilden brengen. Nou, daar was hij het helemaal mee eens, vond het prima, stapte weer op z’n fiets en reed verder.

Dus wij weer op stap, dwars door het dorp met die bom en om de zoveel tijd van de een z’n armen in die van de ander. Je moet er toch niet aan denken wat er gebeuren zou als een van ons dat ding per ongeluk zou laten vallen, midden in het dorp!!! Nou, we haalden het gelukkig zonder problemen en liepen het politiebureau binnen.

Nou, als er ooit mensen geschrokken zijn dan waren het de aanwezige agenten wel; ze wisten niet hoe snel ze onze last moesten overnemen. We kregen een bedankje en konden gaan.

 

Toen we bij Piet Hein thuis kwamen en het verhaal vertelden, liep zijn vader bijkans rood aan. Wat werd die man kwaad !!! Hij was toch altijd al snel heetgebakerd, maar nu ontplofte hij helemaal. Hij is op hoge poten naar het politiebureau gegaan en is daar enorm van leer getrokken, vooral natuurlijk richting de agent die ons vanaf de Zuid Boulevard met die bom door het dorp liet lopen. Dat kan je je ook gewoon niet voorstellen !!

 

(Kinder)spelletjes

 Natuurlijk deden we tijdens en na de oorlog diverse spelletjes op straat, op strand of in duin. Ik denk daarbij dan aan het bekende: tikkertje spelen, buten, hinkelen, hoepelen, vliegeren, tollen en ’s winters sleeën. Daarnaast waren er ook nog speciale spelletjes, zoals kaksen en rozeren.

 

Ik zal proberen uit te leggen wat Kaksen en Rozeren was, want dat zie je helemaal niet meer.

 

Kaksen.

Je had een stuk leer, zeg maar een stuk van een bagagedragerriem of een reep binnenband; die sliert wikkelen je om een paar vingers, zodat je ermee op de grond kon slaan. Je nam een muntstuk en die plaatste je verticaal tussen twee stoeptegels. Nu was het zaak dat je met dat riempje dat muntstuk dusdanig raakte dat dat een eind weg vloog en dat was meestal het geval. Om de beurt werd er geslagen; ieder met z’n eigen muntje. Er waren, op zeg maar 200 meter afstand van elkaar, strepen op straat getrokken en wie met z’n muntstuk het eerst de verst-weg-liggende streep passeerde, had gewonnen. Daar was je dan uren zoet mee.

 

Rozeren.

Rozeren werd gespeeld met schelpen, die je op strand ging zoeken. Rozers zoeken.

De Katwijkse naam rozer geldt voor de Venusschelp. 

Als echte Katwijker loop ik nog steeds rozers te zoeken, zodra ik op strand kom; dat zit er bij mij helemaal ingebakken. Dus … ook later graag rozers op mijn graf !!!. Dat hoort bij mij.

Verder met het spel; als je met zakken vol rozers bij je vriendjes kwam, hadden zij die ook en dan gingen we spelen.

Er werden met krijt twee lijnen op straat getekend, ongeveer drie à vier meter bij elkaar vandaan; achter de dichtstbijzijnde streep moest je je opstellen om het spel te spelen. Op de verste streep werd in het midden een driehoekje getekend; in dat driehoekje moesten de rozers uiteindelijk terecht komen. Meestal werd het spel met z’n tweeën of met z’n drieën gespeeld.

Om de beurt werden er 10 à 15 rozers – wel iedereen hetzelfde aantal - gegooid richting de bovenlijn, waarbij gemikt werd op het driehoekje. Er kwamen dan rozers terecht boven of onder de lijn en als het meezat in het driehoekje. Er werd geteld hoeveel rozers ieder in het driehoekje had geworpen. Degene met de meeste rozers daarin had gewonnen en kon de rozers, die boven de lijn en in het driehoekje lagen, in z’n zak steken; daarna mocht hij proberen de onder de lijn liggende rozers met z’n duim in het driehoekje te schieten. Lukte dat dan was die rozer ook voor hem; lukte het niet dan mocht de volgende (de tweede naar het aantal rozers in het driehoekje na de eerste gooi) met z’n duim gaan schieten enz.

Op dit spelletje waren natuurlijk allerlei variaties mogelijk, zodat je van te voren wel afspraken moest maken over hoe het gespeeld zou worden. 

 

Ik hoop dat het zo begrijpelijk is.

 

 

Vliegeren.

 

Ook vliegeren stond vaak op het programma. We maakten die vliegers zelf thuis van stevig papier en heel licht hout, bonden er een staart aan met stukjes papier als een soort strikken en wonden hele stukken boettouw (hoe wij daaraan kwamen staat te lezen bij “plompen”) op een stokje, zodat als de vlieger eenmaal in de lucht bleef, ie ook behoorlijk hoog stond. 

 Dat vliegeren deden we in het duinterrein aan de Parklaan en bij de “hoge duin”, ongeveer in de buurt van het huidige “Salem”. Eens kwamen er een paar jongens vliegeren, die uit Nederlands Indië waren gekomen en daar ook vliegerden.

Maar zij waren gewend hun vliegertouw in te smeren met een goedje waardoor het touw –zeg maar- scherp werd; daarmee sneden ze, als de vliegers in de lucht stonden, met een paar keer trekken aan hun touw ons touw door en je vlieger ging, zoals we dat noemden “ op de bait”, oftewel:  hij woei met de wind mee een allemachtig eind weg, waardoor je je rot moest rennen om hem in de gaten te kunnen houden om ‘m terug te vinden. Dat was natuurlijk niet zo leuk !! Gelukkig hadden ze er uiteindelijk ook niet meer zo’n plezier in en hield dat getreiter op.  

Er werd op lege conservenblikjes gelopen; aan de zijkant werden gaatjes in het blik gemaakt waardoorheen touwtjes werden getrokken die je vast kon houden. Je ging op het omgekeerde blikje staan, hield de touwtjes goed strak en ging lopen. Hiermee werden ook wedstrijden gehouden.

 

Verder speelden we veel in duin, waarbij soms pijl en boog meegingen om te schieten, vaak samen met Piet Hein, mijn vriendje. Op de punt van de houten pijl bevestigden we een kogelpunt door ‘m plat te slaan. De boog was een strak gespannen bamboestok. 

Nou, dat ging prima; de afgeschoten pijl snorde prachtig door de lucht. In duin slopen we behoedzaam naar een duintopje om te kijken of we konijnen zagen. 

Was dat zo dan schoten we er onze pijlen op af en probeerden 

zo om een konijnenboutje voor thuis te pakken te krijgen. Dat is ons echter nooit gelukt. Jammer voor ons, maar gelukkig voor het konijn. 

Wel had Piet Hein bijna een vrijend stelletje geraakt toen we ergens, al sluipend, het gras zachtjes zagen bewegen. Het scheelde echt heel weinig en die (vrijende) kerel vloog op en kwam scheldend achter ons aan. Rennen, natuurlijk; gelukkig waren we behendiger dan hij. Toen we hem eindelijk terug zagen lopen, vielen wij hijgend in het gras.

 

Hutten bouw

 

Midden in duin hebben we ook een hut gebouwd onder de grond. Als ik die duin zie, wanneer we een wandeling maken, denk ik daar nog steeds aan. 

 

 Die betreffende duin ligt nu aan de overkant van de duinmeertjes; destijds stond daar geen water, maar waren dat teelveldjes van Katwijkers voor aardappelen e.d., die ook in onze tijd niet meer als zodanig in gebruik waren, maar dat er geteeld was, kon  je nog goed  zien. Om de hut stevig te maken, sjouwden we op de trapper van een fiets hele planken daar naar toe en zaagden ze daar op maat; ook het plafond, het deksel dus, werd op die manier vervoerd. De hut tussen laag kreupelhout, dus lekker uit het zicht.

De bovenkant was helemaal gecamoufleerd, zodat ie niet direct zichtbaar was. Je kon er met z’n tweetjes tegen elkaar aan net inzitten, wat we ook diverse keren hebben gedaan. We namen dan kaarsen mee en zaten te lezen of te leren. Eenmaal hoorden we iemand aankomen !!! Die liep vlak langs de hut, maar had niets in de gaten. Spannend, man !! 

Een andere keer had ik waarschijnlijk bruine bonen gegeten, want toen is Piet Hein van ellende de hut uit gevlucht. Ook het vlammetje van de kaars zag je steeds lager worden vanwege zuurstof gebrek.

Eind augustus, begin september gingen we vaak met het hele gezin en met bevriende gezinnen o.a. met de familie De Graaf en/of de familie Jordaan (zie hierna bij : Eerste treinreis na de oorlog) duin in om bramen te plukken. Wat stond er soms veel; dat werd meegenomen en er werd door mama bramensap en jam van gemaakt, waarbij enkele potten werden gewekt, dus zodanig klaargemaakt dat ze in de kelder konden worden bewaard voor later.

 

Dingen die je voor het eerst proefde en zag.

Na de oorlog begon het normale leven langzaam weer op gang te komen en kwam je ook in aanraking met dingen, die je eigenlijk bewust nog nooit had gezien. Ik denk hierbij dan bijvoorbeeld aan chocola, ananas, sinaasappels en bananen, maar er waren nog veel meer dingen. 

Je kunt je nu haast niet voorstellen, dat die dingen voor een jongetje van acht jaar helemaal nieuw waren. Zo maakte ik ook voor het eerst kennis met kauwgom. Die kauwgom was meegebracht uit Amerika door joodse mensen, die ’s zomers als badgast een paar huizen bij ons vandaan logeerden. 

 

Zij waren voor de oorlog uitgeweken en weer terug gekomen en hadden de ellende dus niet meegemaakt. Wij speelden met hun kinderen en die kwamen met hier toen eigenlijk nooit; dat is later anders geworden, toen er velen uit ons Nederlands-Indië naar Nederland kwamen.  kauwgom aanzetten. Heerlijk, toch!!

Verder kwamen er vaak zgn. pindamannetjes aan de deur of liepen op strand om pinda’s e.d. aan de man te brengen; we noemden die zo omdat het meestal mannen waren met een Indisch uiterlijk en die zag je.

Die pindamannetjes droegen aan een riem om hun nek een zware koffer, die opengeklapt kon worden en waarin allerlei lekkernijen te vinden waren; voor een paar centen kon je dan iets heerlijks uitzoeken.

Wat die uitheemse typen betreft: in mijn jeugd  kende je negers uit Afrika, indianen uit Amerika, Chinezen en Japanners toen eigenlijk alleen maar van plaatjes. In het echt kwam je ze nooit tegen. Dat is haast niet te geloven als je nu om je heen kijkt. Ja, er is voor ons ouderen wel het een en ander veranderd in de loop der tijd.

Heel iets anders ! Vanaf de “hoge duin” – zie bij Vliegeren - liepen loopgraven naar het westen. Die loopgraven werden na de oorlog natuurlijk niet meer onderhouden, geen camouflagenetten meer en de toestand van de ter ondersteuning geplaatste palen ging natuurlijk in rap tempo achteruit. Er vond verrotting plaats en dat gaf in de herfst opkomst van prachtige paddenstoelen, het zgn. eekhoorntjesbrood. Die namen we mee naar huis of we aten ze ter plekke.

 


Leren zwemmen

 

Al snel na de oorlog, op 15 september 1945, werd ik lid van de Padvinderij (nu Scouting); eerst als welp, later als zeeverkenner, maar daar moest je natuurlijk wel kunnen zwemmen.

 

Van een zwembad in Katwijk was nog geen sprake; er werd zelfs niet aan gedacht. De wederopbouw van de afbraak in ons dorp had natuurlijk prioriteit.Via de K(atwijkse) R(eddings)B(rigade) was het al wel mogelijk zwemles te krijgen. Dus ook daarvan lid geworden. 

Op één avond in de week werden we voor de lessen met een bus naar Leiden gebracht, naar, zoals dat genoemd werd “Het Overdekte” -zwembad op het eind van de Haarlemmerstraat. Dat was dus wekelijks een hele onderneming. Later moesten we ook bij de Padvinderij onze zwemkunsten tonen en dat gebeurde voor mij op een zaterdagmiddag in de Uitwatering. 

We moesten daar o.a. watertrappen; nou, dat was niet zo moeilijk, want je wilde daar niet te ver naar beneden zakken, want de bodem lag bezaaid met prikkeldraad, wat er bij de afbraak van o.a. de afzettingen van de daar liggende bunkers in gekwakt was. Je moest wel springen, of je nu wilde of niet !!!

 

Eerste treinreis na de oorlog.  

Mijn ouders waren bevriend met de families De Graaf(oom Harm en tante Willy), Jordaan( oom Leen en tante Pie) en Klootwijk(oom Toon en tante Lottie), die alle drie vlakbij  in de Vlierstraat woonden, ook tijdens de oorlogsperiode. Niet lang na de beëindiging daarvan zijn ze alle drie verhuisd; de familie De Graaf naar Oosterbeek, de familie Jordaan naar Deventer en de familie Klootwijk naar Limburg.

Nog in 1945 zijn we als gezin een paar dagen naar Deventer, naar oom Leen en tante Pie, geweest met de trein. Dat was mijn eerste treinreis. 

Het burgerspoorvervoer was op dat moment, zo vlak na de oorlog, natuurlijk nog niet helemaal zoals het behoorde te zijn. We hadden een personenrijtuig tot Utrecht, maar vanaf Utrecht tot de IJssel bij Deventer stonden, hingen of zaten we in een goederenwagon. Dat was toch een aardig stuk om zo ongeriefelijk te reizen, maar voor ons kinderen wel avontuurlijk natuurlijk.

Op een gegeven moment ging Papa even in de schuifdeuropening staan om naar het landschap van de Veluwe te kijken; hij draaide zich om en zei:”gek, het regent!!”. Maar er was geen wolkje aan de lucht. Wat bleek: in de wagon voor ons stond er één vanwege hoge nood z’n blaas te legen. Lekker fris !!!

Bij Deventer aangekomen konden we de IJssel niet over met de trein, want de treinbrug lag  nog in stukken in de IJssel; kapotgebombardeerd door de geallieerden. 

We zijn met een soort militair amfibievoertuig overgevaren en hebben een fijne vakantieweek bij de familie Jordaan doorgebracht. Vlakbij hun huis stond een schoolgebouw en daarin lagen nog Canadese militairen, die meegedaan hadden aan onze bevrijding. 

Wij gingen daar altijd even langs, want je kreeg al gauw wat lekkers o.a. chocoladerepen van ze.

 

Later zijn we ook nog diverse keren op bezoek of met vakantie geweest bij de familie De Graaf in Oosterbeek- Hoog, zoals ze dat noemden. Die woonden recht tegenover het gedenkteken voor de”Slag om Arnhem” en het landgoed “Hartenstein”; de op dit “buiten” gelegen prachtige villa was bij die slag het hoofdkwartier van de geallieerden.

 

Oom Harm vertelde, toen wij de eerste keer een wandeling door de bossen maakten, dat een paar maanden daarvoor in die omgeving nog lichaamsresten waren gevonden van  bij de Slag om Arnhem gesneuvelde militairen. Dat gaf ons toen toch wel een unheimisch gevoel.

 

Wat je nu niet meer ziet !!!

 

Spullen die aan de deur werden ver-/gekocht. Ik denk hierbij aan garen en band, die net als door de pindamannetjes, vanuit grote koffers werden aangeboden. Mijn moeder kocht praktisch steeds iets, omdat ze gek was op het maken of verstellen van kleding.

 

Ook reden er paardenwagens, (hand-)karren of bakfietsen, soms zelfs hondenkarren, door het dorp; de bestuurder maakte dan via het luiden van een bel of door hard te schreeuwen bekend dat ie er was. Ze hadden wat te koop, zoals bloemen/planten, keukengerei, manden/bezems/kleedjes/matten etc., en als de tijd daar was ook “garrend”, net getrokken en gekookte, nog rokende garnalen.

 

Op maandag, voor iedere huisvrouw de wasdag, was er in de kruidenierszaak van Krijgsman op de hoek van de Waal Malefijtstraat en de Duinstraat heet water te koop voor een paar centen; er waren nog 

geen geisers, dus heet water kon je alleen maar krijgen door het op gas te verwarmen en dat was een heel karwei voor een volledige was. Vandaar dat hete water bij Krijgsman.

 

’s Nachts werd in een donk – een heel groot vat – water verhit, zodat dat ’s morgens verkocht kon worden; het werd geleverd in grote melkbussen, die je op een metalen karretje kon zetten om naar huis te rijden. Dat gaf altijd een heleboel herrie op straat, vooral als die lege bus weer teruggebracht werd naar de winkel.

Voor groente, melk, brood of vlees hoefde je het huis niet uit, want die werden door de groenteboer, de melkboer, de bakker en de slager bij je thuis aan de deur bezorgd. 

Elke middenstander was er als de kippen bij als er zich nieuwe mensen in de wijk vestigden; zo’n nieuwkomer betekende voor hem een grotere omzet, dus bood hij zo spoedig mogelijk zijn diensten aan.

 

Bij ons in de Waal Malefijtstraat kwam Piet Brussee, nog verre familie van mijn moeder, uit de Noord met zijn paard en wagen met groenten; Bas Verdoes (Basje, Basje, Basje, zogenoemd omdat hij steeds wel drie keer zei: “Goeden middag mevrouw, goeden middag mevrouw, goeden middag mevrouw” of “Goeden morgen etc.”, net zoals het uitkwam) vanuit zijn boerderij aan de Louwestraat (zijn boerderij is nu rijksmonument en wordt nu bewoond door enige gezinnen) met paard en wagen met melk, losse melk in melkbussen wel te verstaan, zo van de koe, vaak had hij ook eieren bij zich; iemand van de Coöp. (Coöperatie), gevestigd aan de Voorstraat - tegenover “De Porseleinkast”, in het gebouw/winkel waar nu Peursum zit met video, tv. etc. - met brood en Vooijs uit de Badstraat met een winkel op de plek van het Hotel “Atlanta”(nu “Blauwe Bock”), met vlees. De kruideniersproducten werden bij Krijgsman (van het hete water) gehaald.

Dat om klandizie vragen gebeurde zelfs nog toen wij trouwden en in een nieuwbouwflat aan de Burggravenlaan gingen wonen, dus nog in 1962. Onze bakker destijds, Van der Zijden uit de Rijnstraat, heeft het bij ons het langst volgehouden en wel tot enige jaren aan de Zeeweg.

Het was ook heel normaal dat je op straat een helemaal in het zwart geklede figuur tegenkwam, de zgn. doodbidder; deze belde bij familie en bekenden van een overledene aan en vertelde hen wie het heden met het eeuwige verwisseld had oftewel wie er overleden was.

 

Deze aanzegger zag er indrukwekkend uit: liep statig en zoals gezegd helemaal in het zwart, met hoge hoed, lange jas en van die glimmende tressen op z’n borst.

 

Nu we het toch over “doodgaan” hebben: een begrafenis vond altijd plaats met een zwarte lijkkoets, getrokken door twee paarden met zwarte kleden over zich heen, zwarte oogkleppen en een zwarte pluim op het hoofd. Dat zag er allemaal perfect uit.

 

Het huis verhuren aan badgasten in de zomer.

 

In de jaren na de oorlog kwamen er ‘s zomers altijd veel badgasten, die een huis of een deel daarvan huurden om een week of veertien dagen bij zee en op het strand te vertoeven. Heel veel Katwijkers deden daar aan mee, zodat het inwoneraantal ’s zomers bijna verdubbelde. Ook mijn ouders. Alleen het woonhuis werd verhuurd; de huurders moesten verder zelf alles regelen.

 

Daarmee kon mama, want het vele werk van te voren en na afloop, dat dat met zich meebracht, kwam voornamelijk op haar schouders, omdat papa op zijn werk bij de Gasfabriek zat, een aardig centje bijverdienen om iets extra’s te doen en ook 

wel om er voor te zorgen dat wij als kinderen een goede opleiding konden volgen.

Zoals gezegd was veelal het woonhuis verhuurd; de bewoners, zo ook wij, gingen tijdelijk in de schuur wonen, dat eufemistisch “zomerhuis” werd genoemd. Dat was wel behelpen natuurlijk, met z’n vieren in de schuur; maar omdat je op elkanders lip zat, was het altijd ook wel een gezellige tijd. 

 

We sliepen dan op de schuurzolder, waar je ’s nachts soms de hooiwagens (= spinnen op hoge poten) over je gezicht voelde lopen. 

Deze waren er, ondanks het feit dat mama er alles aan gedaan had om het schoon en fris te maken.

De bij ons hurende badgasten kwamen, voorzover ik me kan herinneren, allemaal uit Nederland of Duitsland. 

Vaak bleven die families jaren achterelkaar terugkomen en ontstond er een echte band. Wat voor ons jonge jongens ook leuk was, was het feit dat er vaak heel leuke meisjes meekwamen, die dan een poosje vlakbij je woonden. 

Wij hadden geen zusjes en zaten in de puberleeftijd, dus dat was nieuw en erg spannend voor ons.

 

Ook toen ik al kennis had aan ene Janny de Krijger verhuurden we nog en die was daar niet zo enthousiast over; die leuke meiden zo vlak bij haar zeker ’s zomers lekker bruine knul; ook al zeg ik het zelf !!!!.

 


Families rond het pleintje/plantsoentje aan de Waal Malefijtstraat.    

 

Naast ons op nr. 15 woonde de familie Van Rijn, de buurman was binnenschipper, er waren drie kinderen, Jaap, Feike en Riekje; Jaap zat op de Grote Vaart en kwam in toen voor ons spannende landen, zoals Uruguay, Paraguay en Argentinië, soms bracht hij voor ons 78-toeren platen mee met Zuid Amerikaanse muziek, heel fijne muziek; 


op nr.13 de familie Bakkenes, ze hadden oudere kinderen; op nr.11 de familie Van der Plas met o.a. als kinderen Alie, Wim, Leen, Kees en Helena.

dan kwam de familie Meijvogel – hun voordeur was in de Meidoornstraat – van Krijn Meijvogel Bouwbedrijf, toen gevestigd in de Zuidstraat, met als kinderen: Teun, IJs(brand), Atie en Krijntje. Teun zat bij mij in de klas; had een soort kroep in z’n nek en is op 10-jarige leeftijd overleden; dus ongeveer in 1946/1947.  Hij is voor mij ook de eerste dode geweest die ik ooit zag. Dat heeft diepe indruk op mij gemaakt; als ik mijn ogen dicht doe, zie ik hem nog voor mij.

Dan gaan we verder met de families van wie de huizen  in de Meidoornstraat stonden, maar die wel op het pleintje/plantsoentje uitkeken t.w. familie Vooijs met o.a. Piet Vooijs, die later zou trouwen met Alie, de dochter van Eusje; Piet is later op doek gaan schilderen; daarnaast weer een familie Meijvogel met als zoon Jan, die later tot 2005 een winkel met “witgoed” had in de Roest van Limburgstraat. Jan is in 2006 overleden. Naast hen op het hoekje van de Meidoornstraat en de W. Malefijtstraat woonde de familie Bol; schuin daartegenover, op W.Malefijtstraat 16 kwam dan de familie Van Leeuwen. Deze familie hield zich toen al bezig, op hun inrit naar achteren en in hun schuur, met het verzamelen van oude materialen en spullen, waaruit tenslotte het nu nog bekende Van Leeuwen Oude Materialen en Afvalstoffen ontstond.

 Op nr. 20 de familie Verdoes met o.a. zoon Gerrit, nr.22 fam Haasbroek, nr.24 fam Van Beelen met o.a. zoon Kees, nr. 26 fam Ketting, nr. 28 fam. Schonenberg, met zoon Hans en dochter Mieke), Hans zat – enige klassen hoger - bij mij op het Gymnasium in Leiden, werd huisarts in Katwijk en trouwde met Wil Verloop, die bij mij in de klas zat op de Chr. Opl. School, Mieke kwam ik weer tegen toen ze, getrouwd met Dik Schoneveld, enige huizen bij ons vandaan op de Zeeweg kwam wonen, op nr. 30 zat groenteboer (Alt) Haasnoot,“de Groei”, met dochter Dina en zonen Jaap en Alt; Jaap werd later gemeentebode en Alt kwam te werken bij de Posterijen. 

 

Ook zij hadden een inrit voor paard en wagen, waarmee een groot deel van Katwijk van aardappelen en groenten werd voorzien.


Op de oostelijke hoek van de Vlierstraat, uitkijkend over het pleintje/plantsoentje, woonde de familie Van Egmond met o.a. zonen Jan, Gerrit, Jaap en Paul, daarnaast de Vlierstraat in twee families Van der Plas, de eerste met o.a. dochter Judy (Judith), later getrouwd met Herman Haasnoot van Haasnoot Mode aan de Voorstraat en zoon Jan en

 

de tweede Van der Plas - “Kleine Leen” – met o.a. ook een dochter Judith en zonen Leen en Piet,  naast de aanliggende slop kwam de familie Haasbroek, die werkte bij de Coöperatie in de Voorstraat, in de winkel waar nu Peursum zit met die mooie televisie – apparatuur.

 

 Vervolgens kwam naast de fam. Haasbroek de familie De Liefde, meneer de Liefde was politieagent en wij zijn nu weer bevriend met dochter Rina de Liefde, die trouwde met Ries van der Meij; naast fam. De Liefde zat de familie Dijkhuizen en daarnaast weer familie Den Dulk, toen beter bekend als “Kees Jas”; vervolgens kwam een grote slop met daarnaast de woning van de vrienden van mijn ouders, de familie De Graaf.

Tegenover laatstgenoemde huizen woonde op het hoekje van het pleintje/plantsoentje en de Vlierstraat de familie Seinstra. Meneer Seinstra was hoofd van een lagere school; hun zoon Age heb ik later een beetje beter leren kennen als vader van Kees Seinstra, die ik bij de Zwem- en Poloclub “Katwijk” tegenkwam en nog later bij AEGON, waar ik al jaren eerder was gaan werken. Naast de familie Seinstra en weer buren van ons woonde de familie Van der Plas. De ouders, Piet en Lies, hadden vijf kinderen, Huig, Jaap, Piet, Corrie en kleine Keesje met Huig en Jaap trokken we veel op, naast spelen in duin en op strand, deden we ook vaak spelletjes over en weer bij elkaar thuis. Laten we nu Huig weer tegenkomen als onderdirecteur van MSG in Leiden, waar Astrid en Robbert een opleiding volgden. 

Ook leerde ik zijn kinderen en kleinkinderen kennen als leden van de Zwem en Poloclub “Katwijk”.

Zo hebben we het hele rondje gehad. Ik zal nog wel wat dingen vergeten zijn, maar á la ….

 

Winkels in de directe omgeving van ons huis.

De al eerder genoemde kruidenierszaak van Krijgsman, hoek                  W. Malefijtstraat-Duinstraat, Bakker/Bakkerij Van Egmond, hoek Duinstraat-Secr. Varkevisserstraat, daar schuin tegenover een zuivelwinkel van Tonkelaar, op de hoek van de Ouwehandstraat-W. Malefijtstraat Bakker/bakkerij De Vreugd. Op de hoek van de Ouwehandstraat-Secr. Varkevisserstraat de kruidenierszaak van de Weduwe Rovers (daar zit nu de bloemenzaak van van der Meij).

 

 

 

 

 

 

 

 

Uitgelicht Overzicht