De herinneringen aan de oorlogsjaren van Jaap van Beelen 06-03-1938

We hebben genoten van al die mooie reacties, allereerst natuurlijk Aafje zelf, al die felicitaties “jullie hebben me een onvergetelijke verjaardag bezorgd, geweldig en iedereen bedankt hier voor” zo liet ze ons weten. Maar ook de mensen van de AOBK en het WZK, die achter de publicaties staan hebben genoten van de alleen maar positieve reacties op Facebook, over de mooie verhalen die hier op de website staan gepubliceerd van de mensen met hun herinneringen aan die donkere tijd. Het is ook de reden dat we gewoon doorgaan met het publiceren van de verhalen die bij de AOBK en het WZK binnenkomen na Aafje is het de beurt aan haar broer Jaap die eveneens zijn herinneringen aan het papier heeft toevertrouwd en deze ons heeft toegestuurd om met u te delen. De redactie heeft deze uiteraard al gelezen en we verzekeren u dat ook dit weer een mooi verhaal is. Ook deze herinnering zullen we in parten publiceren vanwege de omvang. We hebben helaas nog geen bijbehorende foto’s ontvangen maar zodra deze er zijn zullen we ze u niet onthouden.

DE HERINNERINGEN AAN OORLOGSTIJD EN BEVRIJDING VAN DHR. JAAP VAN BEELEN. 06-03-1938

De evacuatie uit Katwijk
Wij woonden in de Freek van Roonstraat 8 totdat in het voorjaar 1942 wij moesten evacueren omdat wij in het spergebied woonden. 
Van voor de oorlog tot 1942 kàn ik mij niet zo veel meer herinneren omdat ik toen pas 5 jaar oud was, alleen de groenteboer in het Waaigat want die had een afstapje de winkel in en daar zal ik wel vanaf gevallen zijn. 
We kregen de opdracht om te verhuizen naar Voorschoten en onze Opa die bij ons inwoonde moest verhuizen naar Oldebroek. 
In Voorschoten kregen wij, voor ons doen, een heel groot huis aan de Leidseweg 240 met een grote zolder en een hele grote tuin.
De mensen die daar woonde en eigenaar van dat huis waren werd het huis gevorderd door de Duitsers en die waren zo kwaad dat ze alle vruchtbomen in de tuin omzaagde ook omdat ze dachten dat wij katholiek waren met een groot gezin, wij waren op dat moment met zijn negenen waarvan 7 kinderen en na de oorlog zijn er nog 3 bijgekomen. De 2 oudste wonen nog steeds in Voorschoten (91 en 89 jaar oud)

Als kind zevende, ik ben de jongste van de eerste helft, kreeg ik veel vriendjes en een grote tuin om te spelen, maar de buitenwereld trok meer aan en werd de omgeving daar verkend. Wat ik nog weet dat een paar huizen naar links van ons was een winkel, die heten Stapper, en die hadden een grote zoon die stiekem surrogaat sigaren rookten en die stonken. Aan de andere kant, een paar huizen verder was de Hofweg, die weg liep naar Almansgeest met daarnaast een scheepsbouwer die Klaassen heten. Dan kreeg je weer een paar huizen waar een vriendje van me woonden en die heten Oudshoorn waarvan de ouders streng gereformeerd waren en op zondag het hele gezin naar leiden liep om daar naar de kerk te gaan, de vader had een kaashandel.
Aan de overkant waren ook huizen en waar die op hielden was een trafo huisje met een pad naar achter en daar begon het landgoed van Begeer die ook de Zilverfabriek bestierden die iets verder naar links is. Om dat grote terrein was een sloot die vaak droog viel en waar wij je als kinderen ons konden verschuilen om te kijken wat er zoal gebeurde en dat was heel wat in die tijd.

Het leven in Voorschoten

Mijn moeder was een echte Katwijkse en kon niet zo goed overschakelen aan de gewoonte en de taal die men daar bezigde en op een dag was ze stoffer kwijt en riep naar ons waar of we het varreken gelaten hadden waarop mijn vriendjes allemaal aan het zoeken gingen in de buurt.
Het was ook in die tijd dat er via de treinbaan oorlogsmateriaal vervoerd werd, de V1’s die op Engeland werden afgevuurd door de Duitsers en die was niet zo ver bij ons vandaan waar de Engelse de treinbrug bij de Haagseschouw probeerde kapot te schieten en het bij ons een oorlogsgebied werd. 
Op een dag terwijl de groenteboer met paard en wagen bij ons voor de deur stond het luchtalarm afging en wij allemaal, ook de groenteboer, onder de hap bij ons thuis moesten schuilen en de kogels door het huis vlogen toen mijn moeder ineens riep dat onze Klaas nog in de kinderstoel midden in de kamer zat. Mijn moeder vloog onder de trap vandaan en griste onze Klaas uit de kinderstoel en ook onder de trap en toen alles veilig was waren het voor en achter ruiten eruit geschoten en het paard van de groenteboer lag dood voor de kar.

School

Wij moesten naar school in het dorp en dat was ongeveer 20 minuten lopen en ook was er de mogelijkheid om 2 haltes met de tram te gaan.
Mijn moeder was bang dat we tussen al die kinderen luizen zouden krijgen dus iedere morgen voor we naar school gingen werden we uitgebreid met spiritus behandeld zodat we er bekend werden als Katwijkers.
Er kwam ook vaak een koopman langs met zijn kar waar je van alles kon kopen zoals dropjes om te snoepen en pillen om te poepen, hij had ook stofkammen om de luizen te kammen en riep daarbij kwalitiet kwalitiet bij elke streek een piet.   
Wij als kinderen konden binnen de kortste tijd de taal die ze daar spraken zodat het Leids voor ons vanzelfsprekend werd en mijn moeder weleens uitriep, ik kan mijn eigen kinderen niet meer verstaan.

 Mijn vaders werk

Mijn vader heeft voor de oorlog bij de Grebbeberg het land verdedigd en was na zijn krijgsgevangenschap weer thuis en als scheepstimmerman bij Taat in Katwijk aan het werk. Toen wij naar Voorschoten verhuisd waren hield dat op en is bij Wassenaar in de Domeinen te werk gesteld. Maar omdat hij opgepakt kon worden om in Duitsland te moeten werken ging hij zich vermommen als oud mannetje met baard, nou dat was voor ons even wennen. Op dat werk daar kon hij ook hout sprokkelen voor de kachel thuis en om dat thuis te krijgen had hij een kar gemaakt met fietsenwielen, met fietsenwielen is het wel zo met een kar dat de een rechts en de ander links gemonteerd wordt waardoor een wiel er wel eens afloopt. Op een dag was ik met mijn moeder onderweg op de Papenlaan naar Wassenaar om hout op te halen, maar dat wiel liep er steeds maaÍ of van de hobbelige weg, toen mijn moeder door de struiken een mooi vlak weggetje zag achter de struiken en stapte pardoes in de sloot die begroeid was met kroost.

 De Hongerwinter.

Mijn vader had een stukje land gehuurd bij de veeboer Bregman halverwege de Haagsche schouw aan de Leidseweg om aardappelen en groente te telen. Wij als kinderen moesten daar ook bij helpen om bv. Pootaardappelen in een gaatje te stoppen wat mijn vader had gemaakt en het gaatje weer dicht stoppen. Het was bere koud toen wij, Janna en ik, met een mandje tussen ons in over dat, in onze ogen, hele grote land liepen te zeulen. Maar het waren hele aardige mensen en als de koeien gekalfd hadden dan kregen we warme biest in een kopje. Jammer dat hun 2 zonen bij de NSB waren en de boerderij werd afgenomen na de oorlog. 

Op een dag konden de aardappelen gerooid worden waar een handkar voor werd gehuurd om de 5 mud aardappelen bij ons achter in de tuin ingepet werden het was te laat om de kar nog terug te brengen voor spertijd en die werd zolang in een zijpad bij Stappertje gestald. De volgende morgen waren de aardappelen en kar gestolen.
We hadden in de achtertuin konijnen waarvoor wij paardensla en gras moesten halen en we hadden wel eens 50 konijnen met jonge meegerekend waarvan me vader er wel eens een slachten voor de zon en feestdagen, dat leek heel wat maar er werden er ook veel gestolen. Het was akelig koud en er moest van alles verzameld worden wat maar branden wilde. Bij de eerder genoemde spoorlijn werden stoomtreinen gebruikt die door kolen gestookt werden, en langs de spoorlijn werd dan de as gekiept. Door mijn vader werden horbakjes gemaakt waarmee wij de as konden horren en de goede kooltjes nog gebruikt konden worden. Het gebeurde ook wel dat de kogels om je oren vlogen omdat je niet op tijd weg kon komen als het luchtalarm afging en er ook kinderen werden neergeschoten.
Iedereen ging in die tijd op rooftocht en bomen werden omgezaagd en voor ons bleef er dan niets anders over om de nol van de boom uit te graven met wortel en al.

 Mijn oudste broer Dirk.

Mijn oudste broer wilde ook timmerman worden en daarvoor moest hij met de tram, die van Den Haag naar Leiden liep, over de wat nu de Voorschoterweg is, naar de ambachtsschool in Leiden maar de Engelse hebben toen de trambaan gebombardeerd zodat hij niet naar school meer kon. Hij is toen bij een plaatselijk burgerbaasje het vak gaan leren en die zijn vrouw bestierden ook een melkwinkel zodat als er geen werk was Dirk met melk langs de klanten moest wat hem allemaal tegen viel en wel zodanig dat het de klanten ook opviel. Hij kwam op een dag weer bij een klant met melk waarop de vrouw vroeg of het wel naar zijn zin had en haar man een tuinderij aan de Krim had waar hij wel 14 dagen kon helpen.
Hij is daar tot aan zijn pensionering blijven werken op een tuinderij aan de Leidseweg vlak bij de Haagse schouw. Doordat de trambaan onbruikbaar was geworden werden al rap de bielsen weggehaald en opgestookt, mijn vader is ook op een dag een spoorbiels weggehaald maar het was de laatste en politie stond al op hem te wachten.

 De gaarkeuken.
De gaarkeuken werd opgetuigd en daar hebben wij dankbaar gebruik van gemaakt en we vonden het erg lekker, vooral de suikerbietenpap was een traktatie. Mijn moeder haalde dat in de wandelwagen waar onze Klaas ook in zat met de hete pan tussen zijn benen, dat ging niet goed omdat ze tegen een prikkeldraad paaltje aan reed en wij van school kwamen en mijn moeder tegen kwamen die met de hele handel naar de dokter in het dorp rende, ik zie nog mijn vader alle blazen doorprikken en onze Klaas huilen.  Bij de gaarkeuken gebeurde het wel eens dat er eten overbleef en dat kon je dan nog afhalen. Het ging dan volgens alfabet zodat het eerlijk verdeeld werd, bv.van At/m G en vervolgens van G tot M. Wij hoorden bij de B maar als dat geweest was verzon onze Aafje wel een naam die daarop paste. Op een dag stond ik in de ene rij en onze Aafje in de andere rij en ze had mij een naam opgegeven die ik vergeten was toen ik bijna aan de beurt was dus riep naar haar, hoe heet ik ook alweer, waarop zij antwoorden, Joh stommerd je heet zo of zo.  'We aten zelfs tulpenbollen die ook tot meel werden gemalen en brood van werd gebakken. 
Het landgoed Berestein was iets verder dan de Zilverfabriek en dat was een hoofdkwartier van de Duitsers met een schildwacht voor de toegangspoort, ik was daar al gauw achter dat je met die schildwacht wel wat kon regelen, ik was zo mager als een talhout, en zo kreeg ik wel een stuk brood (kuch) toegestopt wat ik dan gelijk opat.

De Duitsers

De Duitsers hielden ook oefeningen in de buurt en daarom hadden ze het terrein bij Almansgeest in gebruik om er een mobile veldkeuken neer te zetten om de soldaten te voeden En daar moest ik ook bij zijn natuurlijk om de restjes op te eten. Ook bij mensen in de buurt mochten wij om beurten weleens eten, en zo scharrelde je als kind in die tijd rond. Hele colonnes mensen trokken er dan ook met een fiets met touwbanden van Den Haag e.o. naar Noord Holland om eten te bemachtigen bij de boeren en of te ruilen tegen bonnen en of sieraden om zo hun gezin van de hongerdood te redden en dat ging toen allemaal over de Leidse weg, mijn vader is wel 3 keer daar heen gegaan en kwam met tarwe en rogge terug. Op de hoek van de Leidseweg en de hofweg hadden de Duitsers een bunker gebouwd, een grote hoop grond met een ruimte daarin, die gebruikt werd bij hun oefeningen maar de langs trekkende mensen moesten ook wel eens naar de wc en daar was die bunker uitermate voor geschikt. Wij wisten uit ervaring dat het dan ook wel eens mis ging en bij een dergelijk oefening lagen wij in de greppel aan de overkant om te wachten dat er weer een aantal soldaten tijdens de oefening de bunker in renden maar er weer net zo hard er weer naar buiten vlogen met schoenen vol. . . 
Ook was het spannend om na 20 uur (spertijd) in die greppel de Duitse troepen voorbij te zien trekken en als er dan een verlate eten haler het niet redde en nog buiten liep, werd bij de dichtste bij voordeur aangebeld en met fiets en al naar binnen gekieperd.

Onderduikers

Doordat de stroom overal was afgesloten zaten we in het donker of als je geluk had met een kaarsje om niet over elkaar heen te vallen, maar mijn vader had een dynamo van de Fiets gehaald en er een windmolen van gemaakt en op het dak geplaatst zodat we daar ook een beetje licht van hadden want de alle ramen waren dus verduisterd. Nou dat trok mijn aandacht en op een dag sloop ik naar boven om dat van dicht bij te zien maar dat liep helemaal fout want toen ik het luik van de zolder oplichten zag ik ineens een hele groep mensen bij ons op zolder. Natuurlijk had ik wel eens wat gestommel gehoord maar dan zong mijn moeder, Holder de bolder we hebben een koe op zolder, en dan was het klaar.
Van achteren gezien verstopte mijn ouders joodse mensen op zolder en heb ze later niet meer gezien en toen ik later in Polen in Auswitch de ellende aanschouwde toen moest ik daar toch aan terug denken. 

Door de stroom uitval kon de wasmachine niet meer draaien en daar had mijn vader wel wat op bedacht, hij maakte een handvat aan het vliegwiel en voor we naar school gingen moesten we allemaal naar leeftijd een vastgesteld aantal slagen aan het wiel draaien zodat de was toch door kon gaan.

 

Ondervoede kinderen

Op school werden wij gekeurd voor uitzending van ondervoede kinderen en zo kwam ik bij dokter Mets die toen hij me onderzocht had vond dat ik wel erg mager was maar ik het nog wel vol kon houden maar mijn zus Aafje kwam niet door de test en werd uitgezonden naar Glimmen in Groningen en heeft tot na de bevrijding bij die familie Bazuin gewoond. 
Nadat ze weer thuis was hebben we het Groningse volkslied van haar geleerd wat we te pas en te onpas allemaal meezongen.

 

De bevrijding

Vanuit de greppel hebben wij veel razzia’s van de Duitser gezien en werden onderduikers en veel joodse mensen afgevoerd naar de concentratie kampen. 
Na de oorlog werden er veel Duitser gevangen genomen en die marcheerden dan ook bij ons door de straat.

Van de bevrijding werd een groot feest gemaakt op school en in het dorp en de hele bevolking deed daar aan mee, vooral het kaal scheren van de vrouwen die het met de Duitser gehouden hadden en de kale hoofden werden vervolgens oranje geverfd. 
De Beul van Wassenaar werd in een busje rond gereden en werd overal getoond door de achterdeur van de combi te openen werd gezegd, poppetje gezien kastje gaat dicht het zagen we een dikke man in een zwembroek geketend met kettingen en bij het gemeente huis aangekomen moest hij de stenen buitentrap met een tanden borstel schoon maken.

In 1946 zijn we weer naar Katwijk verhuisd maar eerst moest het huis in de Freek van Roonstraat weer bewoonbaar gemaakt worden omdat tijdens de leegstand het een en ander aan brandbaar materiaal verdwenen was.

Mijn Opa, {wij noemde hem altijd Oba) was al eerder uit Oldebroek aan gekomen en woonde al op het kamertje boven.

Dat zijn mijn herinneringen aan de oorlog van 40- 45. Jaap van Beelen.

 

 

 

 

 

 

Uitgelicht Overzicht