Zo is het gebeurd, van Frits Haselhoff


We zijn inmiddels bij de herinneringen van de heer Frederik Klaas Haselhoff beland. De heer Haselhoff was dan wel geen Katwijker hij was wel in Katwijk bekend als badgast. Katwijk heeft waarschijnlijk een goede indruk gemaakt op de nog jeugdige heer Haselhoff want hij is alsnog verhuisd naar Katwijk en woont inmiddels al jaren met veel plezier in Rijnsburg. Hier het verhaal van Frederik Klaas Haselhoff.

 

Met het hier gepubliceerde laatste deel van de herinneringen van de heer Haselhoff is dit voorlopig het eind van de herinneringen van mensen die de oorlog in levende mensen hebben meegemaakt. Het waren aangrijpende maar ook (mooie) verhalen met veel verbindingen om even een voorbeeld te noemen “Zo blijft de 14e april voor Aafje een bijzondere dag met haar geboortedag en bevrijding maar ook voor Frits blijft dit een bijzondere dag ook Velp werd die dag bevrijd maar moest zijn vader hierbij het leven laten” De heer Haselhoff beschrijft deze tragiek in zijn verhaal. Mevr. Freke hebben we helaas niet kunnen helpen in haar zoektocht naar Loeki, of in elke geval om iets meer te weten te komen wie deze Loeki eigenlijk was. Er moeten toch nog enkele ouderen in Katwijk zijn die Loeki ook hebben meegemaakt, helaas hebben we geen reactie mogen ontvangen. Jaap van Beelen heeft ook veel reacties op zijn mooie verhaal gehad en veel los gemaakt zelfs in zijn familie. We zijn uiteraard ook de heer Dick van Leeuwen   dank verschuldigd met zijn bijdrage aan deze (mooie) verhalen reeks aan die spannende maar donkere bladzijde in de Nederlandse geschiedenis.

We zijn nog niet aan het einde gekomen van de verhalen en, ‘als we het mogen beleven’, zoals de oude Katwijkers altijd zeiden hebben we nog enkele herinneringen te goed. Ook hier laat het coronavirus zich gelden en hebben we nog enkele verhalen te goed. Misschien zijn er nog mensen die alsnog hun herinneringen willen delen. De bevrijding houdt niet op 5 mei 2020 de bevrijding leeft voort. Ook staat nog 15 augustus op de kalender, de datum dat de tweede wereld oorlog pas echt was afgelopen ook voor onze overzeese gebieden. Ook hier ligt nog een verhaal op de plank.

 

Zo is het gebeurd...- Frederik Klaas Haselhoff

II. Oorlogstijd (mei 1940 - mei 1945)

De tijd dat we op de Brugweg 1B woonden had voor ons kinderen (Clara en mij) nog een heel speciaal facet. Vader kende van examencommissies een oudere collega die aan de ‘Klokkenberg’ in Nijmegen (een soort P.A.) doceerde. Die had een volwassen dochter, Nel Oostrem en die was kinderjuf bij een adelijke familie in Velp, de familie des Tombe. Meneer des Tombe was hoofdingenieur bij waterstaat in Arnhem en zijn vrouw was freule van Helmond. Haar moeder woonde op kasteel Helmond. De familie des Tombe woonde in een villa in de kerkstraat, vlak bij ons en had drie kinderen; Frans, Karel en Margot. Kennelijk had de vader van Nel verteld dat Nel in betrekking was als bij de familie des Tombes en dat ze op haar vrije avonden graag eens bij een ‘bevriend’ een kopje koffie wilde komen drinken. Het klikte kennelijk tussen haar en mijn ouders en het gevolg was dat Clara en ik de speelmaatjes van Frans, Karel en Margot werden. Héél veel middagen hebben we bij de des Tombes doorgebracht en het luxe ervaren van een welgesteld gezin van voor de oorlog. Men had daar in de grote, parkachtige tuin, een speciaal gebouw dat het speelhuis was. Juf Nel had dit huis als het ‘knushuis’ gedoopt. In dit huis was al het speelgoed opgeborgen en werden we door juf Nel bezig gehouden. In de tuin speelden we onder haar leiding allerlei spellen, zoals indiaantje, rovertje, eieren zoeken, verstoppertje etc. Eten deden we in een speciale kamer onder leiding van de juf. De familie had meer personeel o.a. een linnenmeisje, dienstmeisje en een kokkin. Deze laatstgenoemde waren extern, juf Nel was intern. Aan tafel, ook de kindertafel, werden we bediend door het dienstmeisje. Ook bleven we in het weekeinde vaak slapen. Voor we naar bed gingen mochten we dan even in de deftige salon bij het open haardvuur zitten, samen met mijnheer /mevrouw des Tombe. Een waar feest! Op een zaterdagmiddag, toen Nel vrijaf had, gingen we met mevrouw des Tombe met z’n allen visjes (stekeltjes) vangen in het beekje bij Jeruzalem (vlak achter waar we in 1937 naar toe verhuisden). Oo de terugweg moesten we de drukke Hoofdstraat, ter hoogte van de tramstraat oversteken. Mevrouw des Tombe hield alle vijf kinderen even wachten op het verkeer, maar toch ontglipte kleine Clarie (ongeveer vijf jaar oud) aan haar aandacht en rende de Hoofdstraat over en werd geschept door een DKW-motorfiets. Ze kwam, na een buiteling, met haar hoofdje op een op een hoop geveegd straatvuil langs de trottoirband terecht, wat haar redde van een hoofdbeschadiging, maar had door haar val haar heup gebroken en werd naar het ziekenhuis gebracht, gelukkig om de hoek! Natuurlijk grote consternatie bij mevrouw des Tombe en ons kinderen. Hoe ik thuis ben gekomen herinner ik mij niet meer.

Twee dingen herinner ik me nog zeer levendig: Allereerst het bezoek van mijn vader aan het politiebureau ’s avonds. Waarom weet ik niet precies, misschien had men geen oppas voor mij,

Maar ik mocht mee naar het bureau, in de Stationsstraat, nagenoeg tegenover ons huis. Terwijl vader met de politiemensen sprak over het ongeluk, moest ik alleen in een soort wachtkamertje wachten, tot mijn vader klaar was met de aangifte. Het leek uren te duren, maar dat was vermoedelijk kindergevoel. Hoe het ook zij ik moest heel nodig plassen, maar ik durfde het wacht lokaal niet uit en heb toen in arren moede in een hoekje geplast, vlak onder een houten bank. Even later verscheen het gezicht van mijn vader door de deur opening en werd ik verlost van mijn eenzaamheid. Ik heb het hem niet verteld. De dienstdoende politiemannen zullen het de volgende dag wel opgemerkt hebben.
Verder herinner ik me nog goed dat de motorrijder een schadevergoeding vroeg voor e slag in zijn voor wiel, het kapotte armbandhorloge en de beschadiging van zijn leren jas, veroorzaakt door de val die hij ook maakte. Hoe dit verder is afgewikkeld, is mij ontgaan. Clara heeft ca. 13 weken in het ziekenhuis gelegen met allerlei gewichten aan haar been. We zochten haar vaak op, op de kinderafdeling van het ziekenhuis. Voor ons als kind bar interessant!

Een andere, maar veel leukere herinnering is, dat op zekere dag Claartje (waarschijnlijk 1e of 2e klas; dus ca. 6-7 jaar oud) opgehaald werd van school in een grote limousine, compleet met chauffeur Peter in livrei. De limousine was van oma van Helmond, die blijkbaar bij haar dochter op visite was en kennelijk had de chauffeur opdracht gekregen om ‘ukkepuk’ (zo was haar bijnaam, door juf Nel gegeven) van school te halen en naar Margot te brengen, die naar ik meen jarig was. Nu het commentaar van de collega’s van de lagere school, was natuurlijk niet van de lucht. Mijn vader moest zich wel heel bijzonder gevoeld hebben, dankzij zijn dochtertje.

Ook herinner ik me nog heel sterk, dat toen we op de Brugweg woonde, de broers van mijn vader uit Vroomshoop ( oom Hendrik en oom Frits + families) op Hemelvaartsdag op bezoek kwamen. Dat was altijd groot feest. Ze kwamen met de auto; dat was toch al bijzonder en er werd gezellig als familie bijgepraat. Tijdens dit bezoek stuurde oom Frits mij naar een sigarenwinkel even verder op de Brugweg om wat sigaren te halen en gaf me een zilveren gulden mee. Onderweg passeerde ik een boer en onder de weg liep een sloot door en op de slootkant groeide pispotjes(roze/witte bloemen als trompetten). Die kon ik net bereiken over de leuning van het hekje bij de sloot langs het trottoir. Toen ik aan ’t plukken ging viel mijn zilveren gulden uit mijn hand in de sloot. Nooit heb ik  me als kind beroerder gevoeld als toen. Een gulden was in die tijd (30er jaren) een niet onaanzienlijk bedrag. Thuisgekomen in tranen de zaak verteld, maar gelukkig waren oom Frits en mijn vader niet boos, maar hadden veel medelijden met mij en zijn meegegaan naar de sloot om te kijken of de gulden misschien op te vissen was. De boer is er ook nog aan te pass geekomen, die is met blote voeten de sloot in gegaan en tot ieders opluchting en voor mij het meest, werd de gulden teruggevonden. Het leek net op de gelijkenis uit de Bijbel, waarbij de weduwe haar penningske of parel vindt.

Het was enkele weken voor Sinterklaas dat mijn vader en moeder samen op een zaterdagmiddag met de tram naar Arnhem gingen om voor ons cadeautjes te kopen. Zus Dini vier jaar ouder dan ik, moest oppassen. Van tijd heb je als kind weinig benul en toen zij om vijf uur, toen het al donker was, nog niet terug waren, vreesde ik het ergste en groot onheil (en Dini kennelijk ook) en zag ons al als wezen verder het leven in te moeten gaan. Toen ze om half 6 (pikdonker natuurlijk) nog niet thuis waren, zijn we naar buiten gegaan om op straat richting Hoofdstraat te turen en toen niemand in zicht kwam, uiteindelijk in grote nood bij een boom op de knieën en onze lieve Heer gebeden hebben om uitkomst. Die kwam vlak daarna toen vader en moeder bepakt de weg af kwamen lopen na een geslaagde koopmiddag in Arnhem.

1939

Als je, je herinneringen op papier gaat zetten, dan bemerk je tot je verbazing dat steeds meer herinneringen uit de diepte van je ‘memorie’ tevoorschijn komen. Zo herinner ik me nog goed dat eind 30er jaren, het moet zo ongeveer 1936 geweest zijn (ik was dus acht jaar) mijn vader zomers eens een reis besproken had naar een mooi gebied in Duitsland, ik meen Sauerland: we zouden met het hele gezin (vader, moeder, twee zussen en ikzelf) een hotel gaan waarvan we de folders al bewonderd hadden. Nu dat was wat voor ons als kinderen! Naar het buitenland! Dat deden alleen rijke mensen. Maar door zijn studie Duits in Duitsland had mijn vader toch een soort sympathie gekregen voor de Duitsers. Dat is na 1940 wel radicaal veranderd! In ons familie archief bevindt zich nog een soort ‘pasfoto’ met de hele familie erop, die nodig was destijds voor een visum. Maar jammer genoeg ging het hele feest niet door. Vader kreeg enorme buikpijn en koorts. Als huismiddel gaf mijn. Moeder Hem Haarlemmerolie (wonderolie) om een goede stoelgang te bevorderen. Echter, wat later bleek, brak de appendix door en kreeg mijn vader een ernstige buikvlies ontsteking en belandde enkele weken in het ziekenhuis. In her archief is nog een foto genomen van zijn ziekbed. ;T was kantje boord zoals we later hoorden, (penicilline bestond in die tijd nog niet) maar hij is er toch goed doorgekomen. Maar het reisje naar Duitsland, waar we ons zo enorm op verheugd hadden, ging mooi niet door!.

 1939 (augustus) gingen we wel naar Katwijk. Daar waren we al vaker geweest o.a. in de Boorsmastraat, boven een manufacturen winkeltje. Echter augustus 1939 hadden we een bovenhuis gehuurd voor in de Voorstraat, bij boer Haasnoot. Katwijk gold voor de oorlog als Gereformeerde badplaats voor o.a. dominees en onderwijzers. Dit was ook de reden dat vaders voorkeur uitging naar deze badplaats. Kennelijk voelde hij zich daar thuis. Ik herinner me nog goed de heerlijke ijsjes die we daar kochten aan de voorkant bij Voortman wafels vijf cent en met slagroom er tussen zes cent) en ook de melkoorlog die er toen woedde, tussen de melkhandelaren die elkaar met centen per liter beconcurreerden. We hadden de tweede helft van augustus het bovenhuis gehuurd en waren er met de trein/tram er vlekkeloos gekomen, maar de terugreis eind augustus verliep in een soort chaos. De mobilisatie werd die tijd afgekondigd i.v.m. de politieke situatie in nazi-Duitsland, waar de Duitse troepen Polen juist was binnengevallen. Het een en ander betekende dat we enkele dagen eerder halsoverkop naar huis moesten en dat de treinen overvol waren. We konden als familie bepakt en bezakt nog terecht in de postwagon en gezeten op zakken en koffers en reden we zo naar Arnhem. Als kinderen vonden we dit natuurlijk reuze spannend, maar toch ook wel een beetje angstig gezien de ernstige gezichten  bij onze ouders en andere volwassene in de trein. Oorlog was iets waarover je als kind wel door anderen had horen praten, maar voor ons volkomen onbekend wat dit nu inhield. Nou dat zouden we vijf lange jaren nog goed aan de lijve voelen. 

 

De mobilisatie van Nederland duurde van eind augustus 1939 tot me 1940. Langs de IJzel was de IJzelbarrière aangelegd. Daar stonden aan de westkant van de rivier kazematten van beton, gericht op het oosten, waar de Duitse vijand eventueel verwacht werd. Soldaten die deze linie moesten verdedigen werden ondergebracht bij boeren, zo ook bij boer Eggink, die tevens het Latumseveer bediende. Met roeiboten werd je daar overgezet. De militairen waren gelegerd in de stal/deel. Vanuit de Gereformeerde kerk waar mijn vader o.a. evangelisatie ouderling was, werden tijdschriften, kranten, dam -en schaakspelen etc. Ingezameld en vader bracht die dan op zijn fiets naar de soldaten. Ik mocht dan mee en vond dit natuurlijkgeweldig interessant, vooral als mijn vader dan ook nog met een paar soldaten een partijtje schaak ging spelen. Zo herinner ik me ook nog van de mobilisatie dat bij Marie (dat is een buitenplaats vlak bij ons in de buurt aan de Rozendaalselaan) in het koetshuiscavalerie werd ingekwartierd, dus soldaten met paarden. Als jongens gingen we al spoedig na schooltijd naar dat koetshuis en mochten dan de soldaten helpen met het voederen van de paarden en het aandragen van hooi. Ook kregen we wel eens knopen van hu soldaten jas, met Nederlandse leeuw en daar waren we heel gelukkig mee, een heerlijk bezit waar we onze klasgenoten de ogen mee uit konden steken (figuurlijk gesproken natuurlijk).

 

Nu heel wat anders. Onze buurtbewoners voorzagen een mogelijke oorlog en namen het initiatief om op het open veld voor ons huis een schuilloopgraven complex te bouwen, waar we bij eventuele luchtaanval of beschieting

 In konden schuilen. De hele buurt kwam in actie en werkte aan de bouw mee. ’s Avonds na het eten kwamen de mannen en jongens met schoppen en zagen helpen graven en dennenbomen (uit het bos) te zagen als stuthout. En dat avond na avond met zo’n veertig a vijftig mankracht. Er waren diverse ingangen en zelfs overdekte gedeelten en een grote overdekte vierkante ruimte die als EHBO ruimte gebruikt zou kunnen worden. Al met al voor ons als jongens van zo’n 12-15 jaar een reuze spannende tijd en hebben ons enorm geweerd met het sjouwen van dennenstammetjes, die door de mannen op maat werden gezaagd.

 

En toen werd het voorjaar 1940. De spanning was internationaal al aardig opgelopen en ook wij als kinderen voelde de spanning in onze omgeving. Vader en moeder spraken vaak al over een eventuele Duitse aanval op Nederland, maar aan de andere kant geloofde men dat, net als in 1914-1918, Nederland wel neutraal zou blijven. Wel werden in dat voorjaar in Velp komende Duitsers  geïnterneerd en waren geruchten over Duitse spionnen en uniformen smokkelen van Nederlandse militairen door spionnen, legio. Op de 10e mei 1940 was het zover! 

Heel vroeg in de morgen (+/- 4 uur) werden we gewekt door vliegtuig geronk en zagen we buiten  tientallen zwarte vliegtuigen overvliegen naar het westen. Vader zei, optimist als hij altijd was, dat vermoedelijk een aanval op Engeland zou zijn en dat het alleen maar overvliegen was. Maar toch werd de radio aangezet en bleek de werkelijkheid dat Nederland werd aangevallen en dat het dus oorlog was. Via de radio berichten werden op de hoogte gehouden van de strijd en de bombardementen op steden en vliegvelden. Het neerlaten van parachutisten uit de vliegtuigen was voor ons nieuw en werd met spanning gevolgd. Ze zouden ook zo in ons dorp komen landen en de lucht werd dan ook door ons steeds afgezocht. Het gonsden de verdere dag van geruchten over pantsertreinen bij de brug over de IJssel bij Westervoort en het oversteken van Duitse troepen over de IJzel.

Niet te geloven amper, maar om +/- 11 uur stonden de eerste SS-troepen al in de Roozendaals laan. Dat waren zwarte motorfiets zijspannen met een mitrailleur in de zijspan. Als jongens, nieuwsgierigheid ten top, gingen we er naar toe, toch ook wel een beetje bang. Men schilderde de Duitsers af als SS-Duivels, vooral die troepen die in de frontlinie werden ingezet. Het meest imponeerde ons de officieren die er bij liepen. Fanatieke gezichten en op hun wang een ‘mensuur’, (een litteken van een houw met een degen, als teken van hun onvoorwaardelijke militair en officier zijn).  Ook de helmen en grijs, blauwe gummi jassen die ze droegen imponeerde ons en boezemde ons veel angst in.

Even later zagen we tot onze verbazing dat de beek , die onder de burg. Brandtlaan doorloopt, schuimend rood was gekleurd en rook naar alcohol. De oorzaak vernamen we later op de dag. De eigenaar van hotel Roozendaal was bang dat de Duitsers zijn wijnkelder zouden plunderen en heeft toen kordaat honderden flessen wijn in de Roozendaalse beek leeg gegoten, waarvan de inhoud de beek afwaarts vloeide, langs onze laan op de weg naar de IJzel. De vierdagen voor de capitulatie waren bijzonder spannend. Men vertelde elkaar wat men gehoord had en het gonsde weer van de geruchten over de strijd die gestreden werd o.a. op de Grebbeberg. 14 mei was de capitulatie, nadat Rotterdam zwaar gebombardeerd was, als drukmiddel van de Duitsers voor de overgave. Amsterdam zou volgen als niet voldaan werd aan capitulatie. De oorlog voor Nederland was voorbij en een Duitse bezetting die 5 jaar zou duren was begonnen. Door het bombardement op Rotterdam, waar velen dakloos werden, kwam ook, net als in andere delen van het land, de Velpse gemeenschap in touw en werd van alles ingezameld voor de getroffene. Ook in onze buurt was men actief en werden bij het loopgravencomplex spullen bijeen gebracht: stoelen, tafels, ledikanten, dekens, matrassen etc. Het leek een grote uitdragerij. Met vrachtwagens werd alles naar Rotterdam vervoerd. De eerste maanden van de bezetting waren nauwelijks verschillend van de tijd ervoor. De NSB’ers (Nationaal Socialistische Beweging) roerde zich weldra in ons dorp en zo bekende gezichten zien die plotseling in een zwart uniform zich trots op straat bewogen. Zo ook een keer op zaterdagmiddag marcheerde zo’n stelletje landverraders heldhaftig door de Hoofdstraat en als dan het winkelend publiek hen afkeurend uitlachten, klonk er een fluitje van de leider, en stormde ze op het publiek af en sloegen met gummiknuppels in het rond, waarna ze weer vrolijk verder marcheerden, onder het zingen van hun strijdliederen, voor Volk en Vaderland. Zo probeerde ze het publiek te imponeren en angst aan te jagen. Het ergste was dat tussen die lieden ook Velpenaren liepen, waarvan men nooit geweten had dat ze met Nazi’s sympathiseerden o.a. de zoons van stoffeerder Meerdink, lid van onze Geref. Kerk en waarvan Henk Meerdink bij mij in de klas had gezeten. Echt ‘shocking’ voor ons! Maar de meeste warengewoon profiteurs die hun kans rijk zagen om iets te betekenen in de nieuwe orde. Een spotlied herinner ik me nog heel goed dat aangeeft hoe men over de Nazi’s dacht:

‘ Op de hoek van de straat,  
staat een NSB’er  
’t is geen man en geen vrouw, 
Maar een farizeeër,  


Met zijn krant in de hand,  
loopt hij daar te venten. 
Zo verkoopt hij het Vaderland  
voor vijf hele centen

Men had een blad ‘Volk en Vaderland’ en daar colporteerde men mee op straat en de prijs van zo’n NSB-blad was een stuiver (5 cent). 
Hoe we die 5 jaren bezetting doorkwamen komt later in deze memoires, maar eerst nog wat herinneringen  van mijn eigen leventje.

 

In 1940 was ik 12 jaar en zat net in de 1e klas van de Mulo. Hoewel ik van de lagere school (hoofd meneer Piet Oranje) een aanbeveling had gekregen voor het Lyceum in Arnhem, vond mijn vader het toch beter, gezien de oorlogsomstandigheden, dat ik de Mulo in Velp eerst ging doen en kon dan na het examen altijd nog naar de HBS. Hij hield me kennelijk liever dichtbij, mede doordat hij zelf leraar van de Mulo was. In die 1940, het was Sinterklaas tijd en had op school al een beetje Engels gehad. Nu was ik destijds een beetje verliefd op een leuk meisje Ida Jasper genaamd. We stonden als 13 jarigen in dichte drommen voor de Sinterklaas etalages van Haweko, waar Sinterklaas en Piet zitting hielden. Het was een gedrang van jewelste en toen zag ik ook Ida tussen de menigte en heb ik op een stukje papier iets geschreven dat mijn affectie moest aantonen, en tevens haar moest imponeren. Op school had ik de eerste Engelse les gehad en o.a. geleerd: to like, to live en to love’. Ik wist niet meer precies wat liefhebben was en schreef ‘I live you’. Ik gaf haar dat briefje en hoopte dat ze thuis het zou gaan ontcijferen en dan ontdekken dat ik verliefd op haar was. Ik heb nooit geen reactie op dat briefje gehad en de liefde is ook niet beantwoord.

 

Vader had al gauw door, dat door de bezetting geen aanvoer meer zou kunnen plaatsvinden van producten overzee. Hij rookte graag pijp en sigaren en die zouden wel schaars worden. Dus ging vader tabak en sigaren hamsteren. Samen gingen we op onze fietsen langs alle Velpse tabakswinkels en daar kochten we tabak (max 1 pond, meer verkocht men niet per persoon gezien de schaarste) en 10 sigaren. We gingen wel om de beurt naar binnen!! Zo verzamelde we wel enkele tientallen ponden tabak en vele dozen sigaren. Die werden dan thuis opgeslagen in een loze ruimten boven de kamerkast, waar mijn vader een zijdeurtje ingemaakt had. Nog tot 1943 had hij zijn rokertje zo veilig gesteld en dank zij de tabak ook nog ruilhandel kunnen doen voor o.a. levensmiddelen.

 

Ons huis was ruim en zoals gezegd, had het een ruime tuin, voor, zij, en achter. Achter in de tuin hadden we appel, -peren, -pruimen, -en zelfs kersen en -perzikbomen. Verder bessen en zelfs kippen in een ren naast het schuurtje. Vader hield van tuinieren en de groente tuin was zijn grote liefde. Behalve onze groente tuin had mijn vader ook nog hier en. Daar volkstuinen gehuurd, op zeker ogenblik zelfs 3 stuks. Een voor op het grasveld, voor de schuilloopgraven. Alles voor de voedselvoorziening van het gezin, gezien de schaarste door de oorlogsomstandigheden. Aardappelen, bruine bonen, snijbonen, boontjes etc. Werden op deze volkstuinen hoofdzakelijk verbouwd. Groentes achter in onze tuin.

 

Hoewel ons huis een modern huis was had het geen c.v., geen bad/douche, geen warm water. Al deze luxe bestond destijds amper en ik denk dat vader ook de koopprijs van het huis hiermee wilde drukken. Op mijn slaapkamertje waren wel de voorzieningen voor een eventuele bad aansluiting. Als het vroor dan moeste dikke dekens en meestal een warm water kruik ons in het bed warm houden, ’s Morgens  was de uitgeademde adem op de rand van de dekens bevroren en er stonden altijd ijsbloemen op de ramen. Maar toch vonden we dit heel gewoon en wisten we niet anders. Wassen deed men in de wastafel met koud water of met warm water, gekookt in de keuken op gas of een ketel op de kachel. Als het hard vroor, werd de waterleiding in de kelder dichtgedraaid, om te voorkomen dat de leidingen zouden bevriezen. Via een tapkraantje in de kelder kon dan nog water in emmers gestopt worden, hiermee werd o.a. het toilet doorgespoeld. ’t Was wel ellende zover ik me kan herinneren vooral als de vorst periode meerdere weken aanhield.

 

Vorst betekende ook ijspret. We hebben veel geschaatst op de vijvers van Biljoen, Villapark en vooral bij kasteel Roozendaal. Over gezellig was het dan we speelden ijshockey met wandelstokken of ‘zwierden’ met meisjes die we kenden van school. Meestal waren er Koek en Zopie kraampjes op het ijs, waar we o.a. hete chocolade melk dronken. Als er sneeuw lag gingen we de Velpse rodelbanen op. Dat was ook een heerlijke sport, achterover liggend op de slee de S-baan af of van de langgerekte rechtuit ‘Rodelbaan’. En als we dan rozig tegen donker +/- 17:00) thuis kwamen, dan zat moeder in de huiskamer te wachten met thee (en later in de oorlog met surrogaat thee). Dat werd gezellig warm gehouden op een theelichtje en een roodgloeiende potkachel die zorgde voor warmte in de kamer. Op de kachel poften we ook vaak appels en tamme kastanjes, heerlijk.

Mijn vader had goede relaties met een boer in Lathum (dorp over de IJzel), boer Siebeling genaamd. Zijn dochter zat bij vader op school. Van deze boer kocht vader altijd in de winter aardappelen (500 kg), winterwortelen, uien en koolrapen. Die werden dan ook thuis gebracht met paard en wagen (via de brug bij Westervoort). De hele kelder werd dan volgestort met deze welkome etenswaren. Ook kocht vader daar appels en winterperen. Die werden netjes op zolder uitgelegd en tot februari/maart aten we daarvan. Zelfs stond er een Keulse pot in de kelder met zelf ingemaakte snijbonen (in ’t zout) en zuurkool, ook zelf ingemaakt. Zelfs was er een Keulse pot met veld peren erin, diep onder de kalk verstopt. Verder stonden de muurplanken vol met glazen wekpotten, waarin moeder groente (bonen, andijvie etc.) gewekt had, maar ook vruchten (pruimen en kersen). Het was elk jaar weer een inspanning om voor de volgende winter periode verzekerd te zijn van eten. Er ontstond ook ruilhandel. Zo hadden mijn ouders een afspraak met een bekende boer in Rheden, wiens dochter bij vader op de Mulo zat. Moeder had lakens geleverd en daarvoor mochten wij 2 keer in de week 1 liter melk halen en dat was meestal de taak van Dini en mij. (+/- 20 minuten fietsen).

 Onze vrije tijd als jongens van 12-14 jaar oud brachten we meestal in de bossen door; ook wel eens in de buurt van de hei bij de Emma piramide. Daar begon het Duitse ‘sperrgebiet’ maar vanuit enkele duintjes door konden we precies zien wat de Duitse soldaten daar deden in hun vrije tijd o.a. vrijen met Duitse vrouwelijke soldaten, de z.g. grijze muizen. Nu dat was voor ons jongens een spannende bezigheid. 

De zomers in de oorlogsjaren brachten we vaak door bij oom Frits en tante Jantje in Vroomshoop of in Coevorden bij oom Bruun en tante Corrie. Ik heb hier de heerlijkste herinneringen aan. In Vroomshoop was het een soort traditie dat de broers Haselhoff (oom Frits, oom Hendrik, oom Jan en vader) een dagje gingen vissen in een van de vele wijken (dat zijn zijtakken van het Overijssels kanaal). Neef Frits en ik mochten ook altijd mee. De wijk werd gepacht van een van de boeren, door wiens land deze wijk liep. Het vissen ging als volgt: aan het eind van de wijk werd een schakelnet van over tot oever neergelaten en ook aan het begin van de wijk, waardoor er zo’n 500 meter water werd afgegrendeld. Dan werd met een touw van oever tot oever ‘geplonsd’ (het touw was voorzien van allerlei zware ijzeren voorwerpen, zoals kachelringen, gewichten). Men begon bij het eerste net, plonsde dan op regelmatige afstanden richting het tweede net en zo door. Aan de schakels zag men dan al gauw dat er vissen in het net zaten o.a. snoeken, witvis, baars, voorns, soms wel tot 30 kg. In grote zakken werd de vis geborgen en zo werd de hele wijk afgevist. ’s Avonds was het dan verdelen van de vis over de ooms en bij oom Frits lekker gebakken vis eten. Mijn vader genoot er altijd van zo’n dagje uit met zijn broers en wij als kinderen ook!

 Bij Kor de Groot (zijn moeder was een zuster van tante Jantje en woonden naast elkaar) speelden we vaak in de grote houtloodsen achter hun huis. Ik en Kor waren van dezelfde leeftijd. Kor zijn vader had een groot hout bedrijf, waar zomerhuisjes, schuurtjes etc. werden gebouwd. Er liep een lorrie op rails van de weg tot helemaal achter in de loods. Wij erop en dan ging het vanzelf naar het einde, omdat de track op een lichte helling lag.

 Ook werkten de hormonen sterk bij ons in de zomervakanties (+/- 15/16 jaar). Heel wat verliefdheden werden daar doorleefd met de Vroomhoopse schonen o.a. Engeltje (+/-  2 jaarouder). Zij was het kindermeisje van de familie de Groot, die op hun gehandicapte dochtertje Elly paste. Maar ook was ik verliefd op Coby, Willy en Anneke. Op elke aardig uitziend meisje werd ik wel verliefd. En de meisjes vonden zo’n jongen van buiten Vroomshoop ook erg interessant.

Naar mate de oorlogstijd vorderde werd de toestand voor ons gezin steeds beroerder onder de Duitse bezetting. Allereerst leefden we van de altijd nog rond gonzende geruchten. Prettige geruchten zoals de vorderingen  van de geallieerde legers door Europa. Maar ook van verontrustende berichten van arrestaties van ‘goede’ Nederlanders en het vorderen van fietsen, radio’s, kerkklokken, koperen voorwerpen etc. Voor wat de radio: luisteren naar de Engelse radio was streng verboden. Daarom werden de radio’s van de burger gevorderd op straffe van arrestatie. Maar veel Nederlanders verborgen hun goede radio op de meest rare plaatsen en leverden vaak oude, onbruikbare radio’s in, die nog ergens op zolder stonden. Mijn vader verborg onze radio achter het orgel in de Gereformeerde kerk. Toen hij hem daar plaatsen ontdekte hij dat er nog veel meer radio’s stonden!

 Onze achterbuurman, heer Franken, had een radio in de kleerkast verborgen en daar werd vaak naar radio Oranje (Londen) geluisterd en werd men gewaar wat er in Europa gebeurde. De Duitse (en ook Nederlandse zenders die onder nazi-controle stonden) gaven alleen ‘gekleurde’ berichten door, waaronder met klaroen geschal gepaard gaande overwinningsberichten van het Duitse leger. Ook de successen van de Duitse U-boten werden breed uitgemeten.

Elektriciteit werd aan het einde van de oorlog afgesloten, maar toen we twee keer inkwartiering kregen van Duitse soldaten (in de voorkamer) werden we weer aangesloten op de elektriciteit. ’s Avonds rolde vader dan een 50 meter lange elektriciteitskabel via de achtertuin naar achterbuurman Franken. Daar kon men dan weer  naar de Engelse radio luisteren in de kleerkast. Vader was daarbij ook altijd present en ikzelf (15/16 jaar) werd belast met de wacht in de tuin bij de kabel, om die bij onraad onmiddellijk af te koppelen en weg te moffelen.

Van de Duitse soldaten in de woonkamer hadden we weinig last. Dat waren gewone jongens van hen kregen we vaak stukken brood en boter. ’s Nachts horden we vaak een van hen, een ordonnans, op zijn zware motor vertrekken om kennelijk orders door te brengen.

Ook werden er geregeld huisvorderingen gedaan o.a. fietsen. Men ging van huis tot huis en zocht in schuur en huis naar fietsen; twee goede fietsen verborg mijn vader onder de appelboom onder takken achter in de tuin en leverde een heel oude fiets in. Zo behielden we onze fietsen. Ook werden koperen voorwaarden ingezameld/gevorderd voor de Duitse oorlogsindustrie om munitie van te maken. Wij verborgen onze koperen vazen etc. in de grond. Arrestaties vonden ook geregeld plaats. Vaak ook leden van onze kerk o.a. mijnheer de Hertog (collega van vader op de Mulo-school). Hij kwam in een concentratiekamp om. Vader liep ook risico zijnde de voorzitter van de Gereformeerde mannenvereniging, ouderling in de kerk en bekend in Velp als antirevolutionair (AR) aanhanger. Maar via de luchtbescherming kreeg hij een ‘Ausweis’ van de Duitse autoriteiten, dat betekende dat hij voor de bevolking onmisbaar was als deel van de luchtbeschermingsorganisatie. Dat hield o.a. in dat hij cpl. Met witte helm en armband zomer ’s avonds tot 12 uur in de uitkijktoren van de Emma-piramide moest zitten, samen met een buurtgenoot (meestal zijn vriend Meijer) om da overvliegende bommenwerpers formaties door te geven naar een centraal punt via een veld telefoon. Op mooie zomeravonden genoten ze dan daar van het mooie verre uitzicht en vaak zongen ze samen hun favoriete psalmen.

Naast  ons woonde de familie Rietberg met twee dochters Tinie en Geerte. Geerte was Clary’s leeftijd en Tinie een jaar ouder dan ik. Ergens groeide tussen ons een vriendschap. Na schooltijd (ik zat toen in de derde klas van de Mulo en zij in de vierde klas) stonden we ure in de tuin over het hekje met elkaar te kletsen over alles wat ons jonge mensen bezig hield. We genoten er enorm van en wisten amper van scheiden. Meestal werd na enige uren onze conversatie wreed verstoor door haar moeder, die vinnig enkele keren op d ruiten tikte, omdat ze het hoogtijd vond dat dochter binnen kwam.

Tegen het eind van de oorlog (1943/1944) werd de voedsel situatie steeds slechter. Zomers werd er zoveel mogelijk “gewecked” (in glazen potten die gesteriliseerd werden in een Weck-ketel). Zo maakte moeder boontjes, andijvie, vruchten etc. in, het meeste van de opbrengst van onze volkstuintjes. Via relaties van Megen, vaders vriend, kochten ze samen een geslacht schaap van een boer. Thuis werd het schaap verdeeld en uitgebeend en het gekookte vlees eveneens in weckpotten voor beide gezinnen, alles dik onder het schapen vet! Ook kocht men eieren bij de boeren in de boeren in de buurt en die werden bewaard in Keulse potten, diep onder een kalklaag. Gebakken bleken ze later nog wel te eten, maar gekookt waren ze niet te eten.

Siebeling, een boer wonende in Lathum, aan de overkant van de IJssel, kende vader goed, omdat zijn dochter bij vader op de Mulo zat. Daar konden we altijd een wintervoorraad kleiaardappelen (8-10 mud) kopen en ook uien, winterwortels en knolrapen zelfs winterperen en goudrenetten. Alles bracht hij met paard en wagen netjes bij ons thuis en in de kelder. Die lag dan ook in de herfst mudvol met al dit voedsel. Planken vol weckpotten en op de vloer de aardappels en andere producten.

Via een systeem van distributiebonnen konden we mondjesmaat producten in de winkel kopen zoals suiker, brood, schoenen etc.
Melk was een probleem apart. Voor ons als opgroeiende kinderen was dat een ‘must’. Gelukkig kende mijn vader enkele boeren, waarvan de kinderen van de Mulo in Velp zaten, dus ook les kregen van vader, en bij deze boeren konden we terecht voor melk, wel is waar op ruilbasis. Een kinderwagen (van Joop) en lakens waren het ruilmiddel en daarvoor mochten we twee keer per week 1 liter melk halen bij twee verschillende boeren. Een in Rheden, (ca 5 km) en een in Velo. Zowel Dini als ikzelf waren daartoe aangewezen en dus fietsten we naar deze boeren om 1 litertje melk per keer te halen.

Zoals reeds gezegd, brachten we zomers de vakantie vaak door bij oom Frits en tante Jantje in Vroomshoop. Bij de boeren daar werd veel koolzaad verbouwd en oom Frits, als handelaar in landbouw producten o.a. aardappelen, kon daar koolzaad kopen. Maar dat zaad moest geperst woeden voor de kostbare koolzaad olie. 
Samen met de broer van oom Frits o.a. Hendrik en Jan en een vriend die een autobedrijf had (Sierink) werd een olie pers gefabriceerd en werd hiermee koolzaad uitgeperst. Ook vader deelde mee en zo gingen we dan na afloop van de vakantie op de fiets weer terug naar Velp, met aan het stuur twee tassen met elk drie flessen olie. 
En zo kwamen we de eerste oorlogsjaren redelijk door. Dankzij de opbrengst van de volkstuintjes, de melk, de koolzaadolie, de eieren en de Keulse pot, de aardappelen in de kelder en potten met weck op de plank leden we geen honger gelukkig. De voedselvoorziening van ons gezin stond hoog op ons dagelijks arbeid genoteerd en vader, Dini en ik waren daarvoor aangewezen.

Toen kwam het jaar 1944. Het eerste half jaar verliep nog enigszins normaal. In juli deed ik eindexamen voor de Mulo-B. Normaal deed men Mulo-A examen, maar via bijlessen (bijv. Van 13:30 tot 14:00) kregen enkele vierde klassers (we waren met 2’n 3’n) extra stof in de vakken voorgeschoteld 0.a. wiskunde , natuurkunde. Ik herinner me nog goed die dag, dat we in Tivoli (Arnhem) het mondeling examen deden. Het schriftelijk was al op een eerder tijdstip afgelegd. Het was een warme zomerdag en het was zweten geblazen. Vader liep ook in de examenzaal rond als examinator Duits. Voor mijn Duitse mondeling was er natuurlijk een collega examinator van vader aangewezen. Vader gaf op de Mulo ook aardrijkskunde en toen ik mijn mondeling aardrijkskunde had gedaan, waarvoor ik een tien kreeg, lichtten die examinators snel mijn. Vader in dat ik een tien gescoord had. Heel trots was mijn vader toen, kan ik me nog goed herinneren.

In de tweede helft van 1944 begon het te spannen. Allereerst zondag 17 september. Na mijn Mulo opleiding was ik geplaatst in de derde klas HBS B van het Christelijk lyceum te Arnhem; daar ging ik de eerste week van september heen. Ik heb naar ik meen ca. Acht dagen totaal in klas drie gezeten toen we op de bewuste 17 september operatie market Garden los barstte. We kwamen ’s zondags net uit de kerk in de Parkstraat, toen we boven Arnhem de lucht vol vliegtuigen en parachutes zagen. De luchtlanding van Engelse parachutisten bij Wolfhese/Oosterbeek waren. Begonnen en de spanning nam met de minuut toe. 
Het was de eerste week van september al heel onrustig geweest. Na de invasie in Frankrijk (juni 1944) waren de geallieerde troepen goed opgeschoten door Frankrijk, België en stonden al bij de Nederlandse zuidgrens. Dat veroorzaakte enorme paniek bij de NSB’ers, die hun boeltje bijeen pakte en op de vlucht gingen richting Duitsland. Zo ook onze oude buren de van Wessems, goede mensen, maar verblind door het nationalisme. Hun huis lieten ze achter. Wel vroegen ze mijn vader en een andere buurman of wij op het huis + inboedel wilden passen. 
Vader + buurman Turlings hebben toen besloten, ter wille van deze (niet slechte) NSB’ers om de duurste spullen in eigen huis op te slaan zoals kleden, schilderijen, koper/zilver. Het was een heel spannende, maar toch ook een vreemd gevoel om samen net vader door dat achtergelaten huis te lopen, waar alles nog stond zoals ze he in haast verlaten hadden. In de kast vond ik een hakenkruis vlag en een NSB vlag. Jammer dat ik die niet ingepikt heb ’t zou een mooi souvenir geweest zijn voor na de oorlog. 
In de kelder stonden honderden potten weck op de plank. Besloten werd die ook te ‘redden’ maar er werd wel bij afgesproken, dat als de nood aan de man kwam qua voedsel voorziening, gezien de dichterbij komende oorlogshandel, deze voor eigen gebruik opgegeten zouden worden. Zo sjouwde ik zo’n kleine 60 a 70 potten weck naar ons huis, en werden deze onder de vloer van de huiskamer, opgeborgen. Plaats in de kelder ontbrak daarvoor, en onder de grond konden ze niet kapot vriezen.

En zo wachtten wij de ontwikkelingen van de luchtlandingen af, die week na 17 september. Het was onwerkelijk om bij onze bevrijders op ca 5 km afstand te weten neerkomen en vechten om de Rijnbrug te veroveren. Dagen lang hoorden we geweervuur, kanonvuur, ontploffingen. De geruchten waren talloos! Elke dag verwachten we te worden bevrijd, maar na verloop van tijd beseften we dat het niet al te voorspoedig ging daar in Arnhem, vooral toen we Duitse Tigertanks die in de Rozendaalse bossen stonden( om te bekomen van de strijd in Rusland) langs de Apeldoornseweg hoorden ratelen om zich in de strijd in Arnhem te werpen. Dit bleek later ook de genadeslag te zijn voor de Engelse troepen, waardoor operatie Arnhem jammerlijk mislukte. Toen dat besef bij ons doordrong, was de teleurstelling groot. Zo dicht waren we die september maand bij de bevrijding en dan deze mislukking. 
Na de strijd waarbij duizenden Engelse sneuvelden, maar ook duizenden over de Rijn ontkwamen (lees het boek een brug te ver) waren er ook Engelse militairen via de bossen gevlucht en ergens bij Rozendaal door ‘goede’ burgers opgepikt en bij Velpse families ondergebracht, o.a. bleek later, bij onze achterbuurman, (collega onderwijzer van vader) Huisman, die had onder de vloer een schuilplaats ingericht, waar een drietal/viertal naar ik me herinner, tijdelijk werd verstopt. Mijn vader en moeder wiste het wel, maar voor ons werd alles strikt verzwegen. Allee viel het me op, dat we veel meer aardappels schilden en kookte dan normaal en wisten niet waar de overmaat bleef. Op zo’n manier steunden mijn ouders ook de achterburen Huisman, bij hun enorme riskante, maar moedige daad die Engelse militairen tijdelijk te verbergen. Na enkele dagen/weken werden de militairen via ‘ondergrondse’ contacten en gidsen over de rivier gebracht naar het bevrijde zuiden!

Duitsland had een wapen ontwikkeld wat ons veel angst in boezemde, namelijk de V1. Dit was een vliegende bom, zonder bemanning die op lage hoogte (zo’n 200 meter) over ons dorp vloog richting Engeland. Deze V1 werden gelanceerd van treinwagons, en stonden dan hier dan daar o.a. bij Zutphen, Wierden en wij lagen kennelijk op de route. Als zwarte monsters zagen we ze overdag overvliegen. Echter de techniek was nog niet geheel ontwikkeld, want vele V1’s haalden j=hun eindbestemming Engeland niet, maar door motor raket storing storten ze voortijdig neer o.a. in de Oranjestraat 100 meter van de Muloschool en verwoesten een huizenblok met veel doden o.a. de familie Bosma uit onze kerk. Het was zenuwslopend om ’s nachts die monsters te horen aankomen, en een zucht van verlichting slaakte men dan als hij door bleef vliegen. Vaak hoorden we het plotseling stoppen van de motor en dan viel er weer eentje ergens neer.

Na 17 september debacle, besloten de Duitsers om Arnhem, Oosterbeek, Renkum, Wageningen (allemaal gelegen aan de Rijn) te evacueren.

Velp werd niet geëvacueerd, maar kreeg het Duitse commando gelegerd midden in de villawijk bij de Ruiterlaan. Stromen Arnhemmers te voet, handkar, kinderwagens, fiets, kwamen naar Velp, met als enige bagage wat ze konden meenemen in de hand, op de fiets, of in de kinderwagen. In Velp vroegen ze overal of ze konden overnachten. Men dacht dat de evacuatie zeer tijdelijk was en dat men spoedig zou kunnen terugkeren. Ook wij kregen evacuees in huis voor enkele nachten. Maar toen men doorkreeg dat het wel eens lang kon gaan duren, gingen de meeste ‘verderop’ zelfs tot Drenthe, Friesland, en Groningen. Pas na de bevrijding in mei 1945 kon men weer terug keren naar hun huis.

Nu Arnhem geëvacueerd was, dat wil zeggen helemaal ontvolkt, arresteerden de Duitsers in omliggende dorpen mannen en jongens boven de zestien jaar om loopgraven te graven aan de noordkant van de Rijn, tussen Arnhem en Wageningen. Deze mannen en jongens werden ondergebracht in leegstaande scholen in Arnhem. Een bakkerij in Arnhem-noord werd in werking gebracht en buurman Rietberg (die directeur was van een broodfabriek in Arnhem) werd belast met de productie van honderden broden voor deze dwangarbeiders. Zijn boekhouder (Nauta) werd ook hierbij ingeschakeld en een neef van Rietberg (Mas van Eck) die bij de familie was ondergebracht als evacuee, en ikzelf (met zestien jaar) werden gevraagd als hulpjes in de bakkerij. Dit bezorgde ons jongens een Duits Ausweis, hetgeen betekende dat wij niet opgepakt mochten worden voor graafwerk van de Duitsers. Zo’n twee maanden fietsten we gedrieën  op fietsen met massieve banden van Velp naar de bakkerij in Arnhem-noord. Bij Bronbeek stond de Duitse polizei te controleren, maar dankzij onze Ausweis mochten we altijd door en fietsten dan al die verlaten straten en huizen o.a. de Huijghenslaan, een der beste buurten van Arnhem.

De aanblik van de huizen was verschrikkelijk. Alle huizen waren door de Duitsers geplunderd, ramen waren ingegooid, deuren stonde te klapperen in de wind en de tuinen lagen bezaaid met spullen uit de huizen (fotoboeken, kussens, boeken, etc.). Een triest gezicht, maar na een aantal weken wisten we niet beter.

 In de bakkerij bestonden onze werkzaamheden uit het aannemen en opbergen van de broden die uit de oven kwamen; In grote rekken kwamen ze te liggen, en ’s middags kwam een Duitse leger wagen de broden ophalen voor de gravers. Er bij weer ook een stukje boter geleverd en worst. 

Als beloning voor ons werk kregen we ’s avonds ook een brood met boter en beleg. Natuurlijk hadden we gedurende de dag ook al het nodige afvalbrood met boter etc. gesnoept, dus onze voeding was verzekerd. Thuis waren ze er blij mee.

Eind november stopten de graafwerkzaamheden aan de verdedigingslinies va de Duitsers, en hield ons bakker avontuur op. Als zestienjarige, in de groei van de leeftijd, werd mijn situatie toch slechter. Een huidaandoening betekende dat ik bij alle gewrichten (knieën, ellenbogen, vingers, hielen) kloven in mijn vel kreeg, tot bloedens toe. De dokter gaf me een zalf die deze kloven moest dichttrekken, maar alle plekken moesten wel met het verband gedekt worden, na eerst nog in een soort aluin bad gedoopt. Dat betekende dat ik ’s avonds overal verband moest aanbrengen, en zag er dan ook niet uit. Mijn ouders waren bezorgd over mij en dachten dat ik door gebrek aan voeding deze ellende over mij heen kreeg, en besloten om mij naar Vroomshoop. Te sturen, waar oom Frits daar verder voor mij zou zorgen. Aldus besloten, fietste ik ‘s morgens om zes uur begin december, samen schooljuf van Dijk, die toevallig naar familie in Overijssel ging, beladen met een koffer en tassen (o.a. verband, zalf etc.) naar Vroomshoop.

Bij Ommen scheiden onze wegen elkaar en ging ik alleen door naar Vroomshoop, zo’n 220 kilometer verder. In Vroomshoop aangekomen, en bij oom Frits zijn huis, rook ik onraad omdat alles verlaten was e het huis leeggehaald. Toen bij de buren een zuster van tante Jantje) namelijk tante Ebelien, moeder van Kor de Groot, aangeklopt en hoorde ik het hele verhaal dat de SD oom Frits zocht, die was ondergedoken, en dat hele huis was leeggehaald . Ook tante Jantje en de kinderen waren ondergedoken. Mij raadde mij aan door te fietsen naar Coevorden, naar oom Bruin en tante Corrie, en dus weer op de fiets en dertig kilometer verderop kwam ik ’s avonds tegen zessen aan. Nu na mijn verhaal gedaan te hebben zeiden ze meteen, blijf dan maar hier en zo heb ik ca. Acht weken in Coevorden onderdak gevonden en een fijne tijd gehad. Ik hielp mee i het pakhuis, waar nog wel enige goederen voor distributie verhandeld werden o.a. stroop (van de boeren uit de noordelijke provincies). Ik mocht de bestellingen voor de kruideniers (klanten) klaar maken. Een grote ton vol stroop en op de weegschaal een blik of kan waarin dan een aantal kilo’s in moesten worden afgewogen. Zodra de weegschaal doorsloeg, stopte ik met een prop het gat in de ton af, met mijn vingers veegde ik dit restant lekstroop op, en likte mijn vingers daarna af. En wat gebeurde? Na ca tien dagen was mijn huidziekte verdwenen. Vermoedelijk had ik suiker gebrek of zoiets, maar alles heelde zeer snel en verband en zalf konden de prullenbak in.

Met Clara, mijn drie jaar oudere nicht, ging ik ook vaak op voedsel tocht. We liepen dan kilometers, en buiten Coevorden bezochten we de boerderijen. We maakten ons bekend dat we van ‘Feyen de grossier’ waren en vroegen voor de familie in Velp dan wat ze te missen hadden. We kregen meestal wel wat o.a. een paar pond rogge of tarwe, en soms een stuk spek. Al deze producten werden opgeslagen in het studeerkamertje van mijn nicht, boven in het pakhuis om later naar Velp te transporteren. 
Dat hebben we vlak voor de kerstdagen een keer gedaan. Op de fiets richting Velp, vol bepakt met onze etenswaren. Bij Rijssen hoorden we dat er controle op de IJsselbrug was van Duitsers en zeker onze afnemen met gevaar voor oppakken van mij gezien mijn zestienjarige leeftijd. We hebben toen gevraagd waar het Hoofd  van de Christelijke Mulo in Rijssen woonde, hebben daar aangebeld, ons verhaal verteld en daar mochten we ’s nachts blijven slapen. De volgende dag besloten we toch maar weer terug te keren naar Coevorden omdat het risico te groot was bij de IJsel bruggen (Deventer en Zutphen).

Ook maakte ik nog een bruiloft mee namelijk op 19 december. Jaap, mijn neef  trouwde met Tity de Boer (dochter van de oprichter later van de Boers winkel bedrijven/Super de Boer). In de late oorlogstijd was er van kleding niets meer te koop en om toch een beetje netjes op de bruiloft te verschijnen hadden mijn ouderen neven zwarte smokings her en der geleend, zo ook de bruidegom. Nu de grap 1 In de kerk gezeten, had de dominee gekozen, geheel onbewust, voor de tekst: “Een ieder dragen zijn eigen pak (last)”. Bij de familie was enige hilariteit toen tijdens de dienst te. Merken. Nogmaals ik heb een fijne tijd . Jan Willem, mijn neef en ik konden goed met elkaar opschieten en ik vond het gezellig in het grote Feyen gezin, omdat ik omringd was door vijf nichtjes en vijf neven. Ik sliep bij Jan W. In een tweepersoonsbed, en op dezelfde zolderkamer sliepen ook nog Jaap, Klaas, en Henk in eenpersoonsbedden, en er was ook nog centrale verwarming in huis.

Eind januari 1945 ben ik met Clara weer naar Velp gefietst met onze voorraad voedsel, en deze succesvol. Clara is daarna weer alleen terug gefietst. De afstand van Coevorden naar Velp was =/- 100 kilometer fietssen! Thuis waren ze blij mij weer terug te zien in goede gezondheid en heel blij met het meegenomen eten.

Ondertussen werd de toestand in Arnhem en omstreken steeds nijpender en spannender. De geallieerden lagen in stellingen aan de overkant van de Rijn in de Betuwe.

Op zekere middag kwam de SD met een auto en arresteerde mijn vader. Hij werd meegenomen naar het hoofdkwartier van de Siegerheits Dienst, in de villabuurt bij het villapark en daar uren verhoord. Wie schetst onze verbazing en opluchting toen ’s avonds vader weer voor de deur stond. Vermoedelijk heeft zijn rappe Duits en het feit dat hij Duitse leraar was, hem geholpen en ondervragende Duitse officier kon overtuigen dat hij onschuldig was en niet ondergronds werkte (wat natuurlijk wel gelogen was). Wel vertrouwde ze hem toch niet helemaal, want hij werd ‘verbannen’ tot achter de IJssel, hetgeen betekende dat hij zich daarheen moest begeven en elke avond zich bij de plaatselijke politie moest melden. Zo’n veertien dagen hebben we vader niet gezien, hij verbleef ’s nachts meestal bij zijn onbekende collega’s in de achterhoek en meldde zich in het begin trouw, maar naar veertien dagen had hij er genoeg van en dacht wel dat e.e.a. bij de Duitsers geen aandacht meer zou hebben. Op zekere avond stond hij weer voor de deur, zeer tot vreugde van moeder. Maar hij besloot toch maar ‘thuis’ onder te duiken, dat wil zeggen, zich niet meer op straat ‘en-public’ te begeven, zodat ook voor de buren hij ‘niet thuis’ was. Op zolder vertoefde hij overdag en hield zich bezig met schilderen o.a. het schilderij wat ik op mijn werkkamer heb hangen. Erg lang was dit onderduiken niet, want in april 1945 liep de spanning op en op donderdag 12 april ’s avonds om =/- 7 uur (we zaten in het voorjaarsweer buiten op het terrasje achter ons huis) begon opeens een oorverdovende trommelvuur los te barsten en gierden de granaten, afgevuurd van de overkant van de Rijn, over ons dorp. Allemaal vluchtten we hierop naar de kelder. Matrassen op de grond gelegd en met ons zessen ons daar gemakkelijk gemaakt. Het trommelvuur heeft drie dagen geduurd. Elk salvo duurde zo’n twee a drie uur, hierna was het een tijd rustig zo’n 1-2 uur) kennelijk om de munitie weer aan te voeren) en daarna loste de hel weer los. Tijdens de vuurpauzes gingen mijn vader en ik altijd even naar boven om de schade in huis en tuin op te nemen (veel verf schade) en ook gauw wat eten (uit de weck) op te warmen in de keuken. Zaterdag 14 april was weer zo’n rustpauze ca 11 uur ’s morgens. Mijn vader had gehoord dat de bakkerij om de hoek (van Someren) gauw nog wat brood gebakken had, omdat men verwachtte dat er hevige gevechten zouden losbreken en dit wel eens lang zou kunnen duren en met brood in de kelder zou e.e.a. beter uit te houden zijn. Hij is bij de bakkerij nooit aangekomen. Nog maar drie huizen ver op weg in onze laan, begon het trommelvuur weer opnieuw, maar nu vielen de eerste granaten niet elders, maar in onze laan. Vader werd door een granaat splinter getroffen en viel bloedend voor het huis van de familie Bongers neer. De familie B. Zat ook in de kelder, echter wij hebben toch gemerkt dat vader daar lag en hebben hem met de heer Boswinkel, die toevallig passeerden, naar de gang van hun huis gedragen en daar neergelegd. We hoorden later dat de heer Boswinkel met vader het Onze Vader heeft gebeden, waarna de laatste woorden van mijn vader waren ”Mijn ziel is rein, ik ga naar Jezus”, waarop hij stierf. Tijdens de een volgpauze in het bombardement is vader kennelijk naar het Velpse ziekenhuis’ destijds aan de tramstraat gelegen, getransporteerd door leden van de luchtbescherming. Het enige wat onze familie er van gemerkt heeft, was dat ik voor in de tuin stond, in de verte mijn vader zag lopen, een fluitend geluid hoorde van granaten, een knal hoorde en rook zag op de plaats waar vader zo ongeveer liep en in paniek de kelder in ben gevlucht, waar de rest van ons gezin vertoefde. Een angstig voorgevoel bleef bij ons. Was vader binnengevlucht bij iemand of was hij getroffen? Na enkele uren was het rommelvuur weer opgehouden en toen kwam buurman Rietberg de kelder in met het bericht, dat vader was getroffen, en vermoedelijk dood was. Daar zaten wij dan in de kelder, verslagen en bang. De achterbuurman Franken bood aan om Dini ;s nachts bij hun in de kelder te houden, zodat wij iets meer ruimte hadden. Toen bleek al dat moeder nauwelijks reageerden op vaders dood. Apathisch lag zij op haar matras, naar later bleek met hoge koorts en een dubbele longontsteking. Hoe we de zaterdagnacht 14 april en de volgende zondag hebben doorgebracht weet ik echt niet meer. Alleen dat de buren in en uit liepen en ons verzekerden dat alles door hen geregeld zou worden. De zondag verliep verder qua beschieting rustiger dan daarvoor en geruchten gingen dat de Engelsen en de Canadezen de Rijn over waren en reeds op weg waren naar Apeldoorn. ’s Morgens maandag 16 april stonde zowaar Engelse gevechtswagens en tanks van het regiment K.O.Y.L.I. (Kings Own Yorkshire Light Infantry) in onze laan met dol blije en dansende buren om hen heen.


Hoewel diep verslagen door de gebeurtenissen van de laatste twee dagen, ben ik toch naar buiten gegaan om het feit te beleven dat voor ons de oorlog voorbij was. Toen ik dan ook die uitgelaten groep mensen aankwam, waar overbuurman v. Beek net een fles wijn uitschonk, merkte ik opeens hun gezichten strak werden en hun vreugde verkilde, kennelijk uit medelijden met mij en mijn familie. Dat is me mijn hele leven bijgebleven. Zij feesten en ik inwendig huilen. Toch kon ik kennelijk de feiten onder ogen zien, want de volgende dagen was ik steeds met mijn vrienden uit de buurt aanwezig bij de Engels militairen en genoten we van de aangeboden chocola, biscuits en Engelse sigaretten o.a. Players, Craven A , Wildwoodbine etc.. De buren hadden goed voor moeder gezorgd o.a. had de heer Rietberg een Canadese legerarts aangeschoten en gevraagd of die eens bij moeder, nog steeds in de kelder, langs wilde komen. Ik zie hem nog zo voor me de keldertrap afkomen, in officiersuniform om moeder te onderzoeken. Hij constateerde een dubbele longontsteking en daar apotheken, artsen etc. nog niet functioneerde zo’n twee dagen na de bevrijding, zorgde hij voor Cibazol  tabletten, een soort voorloper van antibioticum. Wel zei dat moeder voorlopig niet vervoerd mocht worden uit de kelder, totdat de hoge koorts gezakt was. Woensdag was de begrafenis. De buren (Rietberg en Franken) hadden e.e.a. geregeld. Aangezien deze dag voor ons kinderen (moeder ko=n niet mee) in een soort roes verlopen is, kan ik heel gek, de details niet meer herinneren. Het kerkhof was ‘Heiderrust’ in Rheden. Hoe we daar gekomen zijn  weet ik echt niet meer. Ik heb gehoord dat de paarden voor de lijkwagen en misschien ook van de volgkoetsen door een bevriende boer ter beschikking waren gesteld. Ds. Hart leidde de begrafenis. Wat ik me wel herinner was dat er toch heel veel mensen aanwezig waren, veel uit onze kerk, school ,buren maar ook leerlingen. Pas donderdag mocht moeder uit de kelder en heeft ze nog weken in een bed in de voorkamer gelegen.

 Hoe moest het nu verder. Dini was bijna twintig, ik zestien en Clary en Joop nog erg jong (dertien en zes jaar oud).

Moeder vroeg eens naar Jopie: “Vind je het niet erg dat je geen vader meer hebt?”. Waarop hij antwoordde: Maar we hebben Frits nog”. Pas toen voelde ik de grote verantwoordelijkheid die plots op mijn, toch jonge schouders, geladen werd. Deze verantwoordelijkheid heb ik de eerste jaren daarna heel duidelijk gevoeld en ook getracht naar beste kunnen waar te maken

III Naoorlogse tijd (mei 1945 – September 1947)

 In juni ’45 begon het Christelijk Lyceum in Arnhem weer te draaien, wel is waar niet in Bovenover, waar de school stond. Door de gevechten van de luchtlandingstroepen in september ’44 was de school erg beschadigd en nog lang niet klaar om leerlingen te ontvangen. We werden ondergebracht in andere scholen o.a. HBS – B in de Schoolstraat en het stedelijk Gymnasium. ’s Morgens in de ene school, ’s middags in de andere. Ik kwam weer in de 3e klas HBS-B. Heb daar echter maar twee maanden les gehad.

 Mijn moeder er volgens onze huisdokter (Teenstra) nodig enkele weken tussenuit, en zo ging de hele naar oom Frits en oom Bruin. Dat betekende dat ik een maand vrijaf van school moest krijgen (nl de maand augustus) want de lessen gingen die maand gewoon door om iets van de verloren tijd (september – eind mei) in te halen. Uitgerust kwamen we na die weken bij de familie weer terug en in september 1945 kon ik meteen in de 4e klas doorgaan. Moeder had zich gelukkig goed hersteld en had de touwtjes weer in handen genomen. Langzaam keerde de normale toestand terug, echter de voedsel voorziening was nog lang niet op peil en improvisatie was geboden.

 Oom Frits werd aangewezen als voogd. Als commandant van de ondergrondse in Salland (schuilnaam was “King Arthur”) had hij bij de bevrijding een groot aantal Duitse uitrusting stukken in beslag genomen, waaronder militaire jassen (groen) voorzien van schapenbont als voering. Aangezien geen kleding te koop was, reeg ik zo’n jas en heb daar de hele winter in gelopen en naar school geweest. Veel jaloerse blikken van mijn klasgenoten, maar heerlijk warm en dat was nodig want de winter van ’45-’46 was koud. Met de bus gingen we naar Arnhem. Bus is te veel gezegd, het waren meer vrachtwagens met zeildoek en twee lange banken en laadklep. Zo was het “openbaar vervoer naar Arnhem de eerste tijd geregeld. De bont gevoerde jas kwam mij dan ook zeer van pas.

 Ik schreef dat de voedsel voorziening direct na de oorlog nog gebrekkig werkte en langzaam op gang moest komen. Via hulpprogramma’s o.a. van de USA en Zweden, kregen we o.a. eierpoeder (om eieren van te bakken), biscuits in grote blikken, witte broden (Zweden), alles via een distributie systeem verstrekt. Distributie bonnen voor bijvoorbeeld suiker, chocolade, sigaretten, boter werden nog tot 1948 gebruikt. Daarna was alles wat dat betreft weer normaal.

 De twee HBS jaren waren voor mij prettige jaren. Vanuit de Mulo gingen ook mijn vrienden Henk Horsting, Thijs te Napel en Dick Jansen naar het Lyceum en met elkaar hadden we een goede band. Thijs speelde gitaar en vaak hadden we bij iemand thuis gezelligheid met gitaar muziek en het zingen van Engelse liedje, die na de bevrijding natuurlijk zeer populair waren. Het Lyceum had ook een schoolvereniging (ACLV = Arnhemse Christelijke Lyceisten Vereniging) en op de feestavonden daarvan kwamen liefdesrelaties tot stand en genoten we van het jong zijn (17-18 jaar). De twee jaar HBS- tijd gingen naar mijn idee snel om, veel kan ik me er ook niet meer van herinneren, behalve dat het een heerlijke tijd was.  Thuis ging het ook weer goed, hoewel we vader erg misten, maar we genoten van het “bevrijd” zijn van de gehate bezetter, die ons vijf jaar angst en onvrijheid had bezorgd.

 In 1947 mei/juni was het bramen tijd. Ik had weinig moeite gehad met de studie, alleen beschrijvende meetkunde was voor mij een crime, daar snapte ik weinig van. Ik vroeg daarom Henk Horsting, die een kei was in alle vakken, om bij mij thuis eens het e.e.a. te komen uitleggen en na een hele middag gewerkt te hebben, snapte ik opeens hoe alles in elkaar zat met de projecties in alle vakken  en het omklappen van figuren in X,Y en Z-as en kon ik met die kennis het examen met een gerust hart tegemoet zien. We kregen niet meteen de uitslag na ons mondeling examen, omdat in meerdere dagen groepen werden geëxamineerd. Drie dagen nadat ik mijn mondeling gedaan had, moesten we dan met zijn allen naar de uitslag komen, ’s middags om vier uur. Er helemaal niet bij nagedacht dat dit een officieel gebeuren was, stapte ik op die hete zomerdag begin juni in korte broek en polo op de fiets om even mijn papiertje te halen. Aangekomen i n Arnhem zag ik al gauw dat mijn mede examinandi en zeker diegene die diezelfde dag mondeling hadden gedaan, netjes gekleed waren en zeker geen korte broek aan hadden.  

Om de beurt moesten we naar binnen en daar stond in de gymzaal een lange tafel met de rector in het midden en zowat alle leraren ook aan tafel. Voor de tafel stond een stoel waarop geacht werd te gaan zitten en de uitslag je werd meegedeeld met nog een klein toespraakje. Toen alle jongelui waren geweest was er een soort felicitatie ronde waarbij alle leraren langs ons kwamen en ons ieder persoonlijk de hand gaven. Maar zeer tot mijn schaamte kon de Duitse leraar het niet nalaten mij toe te sissen: “Als je nog eens examen doet, kleed je dan behoorlijk aan Haselhoff!”. Ik denk dat ik wat dat eindexamen betreft mij wel een beetje naïef heb opgesteld met mijn korte broek.

 

Uitgelicht Overzicht